Balmoedertje

Part 4

Chapter 44,097 wordsPublic domain

Ze waren een poosje geïnstalleerd in de nette luitenantswoning van het kampement te Magelang. Het was in het stille middaguur, het uur dat de zon, in het koele bergklimaat het felst haar warmte verspreidt, en nu haar zengende stralen uitgoot over de witte huizen, die twee aan twee gekoppeld, aan den weg, achter bloempotten met weelderige planten, wegscholen.

Het grint er voor blankte licht op, blikkerde in den brandenden zonnebrand, markeerde den net onderhouden weg, die lag als een breed lint, tusschen fluweelig groen aan weerszijden ervan. Een grasberm liep parallel met den weg en daarachter, tegenover de huizen aan den blauwen einder, rees de Soembing, waaroverheen struikgewas hurkend opkroop, in alle tinten van groen. Daar waar de schaduw in een diepe klove viel, leek 't nacht, die afwisselde de zonovergoten gedeelten van klaren dag.

Tegen den Soembing geleund, verhief zich hoog een rots, die paars violet, in den blauwen aether vervlood, en waaroverheen zilverig-wit zich huifde, een wolk zwaar van dreiging naar regen.

Zacht geruisch van stroomend water brak gestaag de alomme stilte, die hing als met looden zwaarte over de middag-eenzaamheid.

Heel in de verte strekten zich de rijstvelden, waar Inlandsche vrouwen, als donkere fantomen, langzaam voortbewogen, teruggekaatst in het gladde watervlak van geïnundeerde rijstvelden. In werkzwoeg bewogen de nijvere handen, die telkens in het water wegdoken, om op minutieus gemeten afstanden de plantjes in den doorweekten bodem te duwen.

Slechts de uiterste puntjes van de groene sprietjes topten even boven het watervlak uit, trillerden flauwtjes bij de korte golfkabbelingen, veroorzaakt door de voortgaande bewegingen der vrouwen, die tot boven den enkel door het water waadden.

In de voorgalerij van het eerste huis aan den kampementsweg zat Paul van Weeden peinzend in zijn wipstoel.

Een diepe frons, die sprak van wat knaagde binnenin hem, groefde zijn hoog voorhoofd. Hij verliet zoo juist de slaapkamer, waar hij nog even door de sneeuwige klamboes gluurde naar Dina, zijn jong vrouwtje, die nog zwakjes, na de geboorte van haar eerste kindje, moeielijk op oude kracht kon komen.

"Van middag heb ik nog te werken, ik zal het slaapuurtje maar eens opofferen", zei hij.

Zij knikte hem vriendelijk toe. En hij verschoof haar klamboe, nog even toevend om naar het kleine rose popje te kijken, dat op een matrasje, in het groote Engelsche ledikant naast haar lag. Dan sloot hij de jalouzieën, om het felle zonlicht buiten te sluiten, en wendde zich weer tot Dina.

--Ga jij nu maar heerlijk slapen, 't zal je goed doen, je bent vandaag weer erg moe, geloof ik....

En even bleef hij staan, met iets als angst in hem.

Zij hoorde hem al niet meer, sloot vermoeid de oogen.

Toen ging hij stil naar voren, waar hij zich met zijn dienstbrieven aan de marmeren tafel zette.

Soms overviel hem een behoefte aan eenzaamheid, en onder voorwendsel van te moeten werken, trok hij zich terug in de stilte van volmiddag.

Dagen lang drukte een beangstigend gevoel hem terneer. Het kwam hem overvallen in zijn vroolijkste oogenblikken dan viel een beklemming op hem, en de lach verstierf op zijn welgevormden mond. O, dat hij zoo lang, zijn heele leven, moest boeten voor die eene fout.

Hij poogde voor Dina die zenuwtoestand te verbergen, en dat werd hem een obsessie.

Het was om háár, louter uit vrees voor haar geluk, dat die martelende gedachten hem gevangen hielden.

Wel heel gelukkig was hij geweest, in zijn jong huwelijksleven, maanden, neen wel een jaar lang, tot plots.... O 't had hem tot in het diepste van zijn ziel geschokt, die verschijning van de Inlandsche vrouw, die de baboe met zijn kindje aanhield en verzocht het te mogen zien.

Hij durfde zich nauwelijks een beeld maken van wat hem den laatsten tijd met zooveel zorg vervulde; en moedeloos zakte hij weg in herinneringsgepeins.

Hij zag zich weer in zijn verlofstijd, in den Bosch, waar zijn ouders woonden.

O welk een jubelend geluk dat weerzien, na een scheiding van acht jaren....!

Als jong officiertje, zoo van de Militaire Academie, was hij naar Indië gegaan. En als man van rijpe levenservaring keerde hij terug.

Zijn moeder kon in het eerst de oogen niet van hem afhouden. Zij kon zich niet indenken, dat die forsche man, met zijn donkere knevels om den weeken mond, haar zoon was, dien zij als knaap van zich had zien weggaan. En liefkozend streek zij hem over zijn weelderig, donker haar, keek dan weer naar zijn bruine oogen.

--Die zijn nog altijd dezelfde gebleven Paul, zei ze dan.

Het waren heerlijke dagen geweest, die van zijn verlofstijd; maar ook de smart was hem toen niet vreemd gebleven.

--Jij gaat nu toch zeker getrouwd terug, mijn jongen.

Ah! hij doorleefde weer de marteling van die vraag.

Dat was juist het eenige, dat hem zoo prikkelbaar maakte.

--Praat me daar niet over, mama, ik denk niet aan trouwen.... weerde hij af.

Na zijn verlof zou hij weer naar Indië terugkeeren, zooals hij gekomen was. Verliefd worden was maar gekheid beweerde hij altijd, om er zich van af te maken--en het ging immers over....

Dat eene jaar ging hij eens goed profiteeren, een mooi reisje maken en zijn familie opzoeken.

En dan het vooruitzicht van schaatsenrijden! Hij herinnerde zich nog met hoeveel ongeduld hij uitzag naar het ijs.

Eindelijk scheen zijn wensch in vervulling te gaan, en nauwelijks lag het eerste vliesje over de sloten, of Paul kocht zich een paar mooie schaatsen.

Het liep hem mee, dat de vorst aanhield, en flink doorzette. Hij was een van de eersten, die de schaatsen onderbond.

En toen hij de prikkelende winterlucht zijn longen voelde instroomen, en hij de vroolijkheid op aller gezichten las, was het of hij weer als jong cadet, met kerstverlof thuis was.

Een blos gloeide op zijn flink donker gezicht, en de vroolijkheid tintelde hem de oogen uit. Hij voelde zich jong als weleer, en het leek hem of die lange Indische jaren waren weggeslonken in zijn denken.

Tochten werden ondernomen met zijn kennissen, en de jonge meisjes genoten als de knappe officier haar om een baantje met hem te rijden kwam vragen.

Het was bij een van die gelegenheden, dat hij Dina Tervoort voor het eerst zag.

In haar donkergroen tailleurspakje, met nauwen, korten rok, viel ze hem dadelijk op.

En onwillekeurig, terwijl ze langs hem heen schaatste, of hij haar in de verte met een ander zag rijden, ging zijn blik dien kant uit.

Hij vond haar wel zeer bizonder; met het mooie weelderige donkerbruine haar, en die prachtig contrasteerende blauwe oogen, en dat harmonische in heel haar figuurtje!

Een paar maal hadden hun blikken elkaar gekruist, zag hij, dat zij ook naar hem keek.

En dat gaf hem even sensatie van geluk.... Maar dadelijk daarop nam hij zich voor haar verder te ontwijken. En hij zocht een paar van zijn kennissen op, en bleef dien middag zooveel mogelijk aan een anderen kant rijden, dan waar hij Dina wist.

Toch met steelsche blikken zochten zijn oogen haar heel den middag lang. En van uit de verte wist hij den blik van haar mooie blauwe oogen, telkens uitgaande naar hem.

's Avonds voelde hij zich niet erg wel, en hij verzocht zijn moeder hem te willen excuseeren, hij zou maar eens vroeg naar bed gaan.

--Je hebt bepaald kou gevat, ik geloof niet, dat het schaatsenrijden je heel veel goed doet, zei zijn moeder hem ongerust aanziende.

Maar hij lachte haar zorgen weg.

--Het is niets, verzekerde hij haar,--de ongewoonte, morgen is het weer over.

In het eerst kon hij den slaap niet vatten, en terwijl hij zijn oogen stijf gesloten hield, was daar toch voortdurend bij hem het beeld van Dina. Die oogen, die hem zoo intens hadden aangestaard stonden nu voor hem, en hij zag haar zoo duidelijk, alsof hij slechts de hand had uit te strekken om haar naar zich toe te trekken.

Hij ging op zijn rug liggen om het bonzen van zijn hart niet te hooren. Het was of een koortsgloed zijn voorhoofd schroeide.

Kon hij maar aan iets anders denken!.... maar dat gelukte hem niet.

Voorloopig nu maar geen schaatsen meer rijden, dat zou de eenige manier zijn om weer zijn gewone kalmte terug te krijgen.

Trouwen was voor hem buitengesloten, en wat wilde hij verwachten van nieuwe ontmoetingen met dat wondere meisje, dat zoozeer zijn heele denken in beslag nam....

Neen, het kon niet, het mocht niet....

Hij zou zich in acht nemen, probeeren, over een paar dagen, als het ijs aanhield op een andere plaats te schaatsen, waar hij bijna zeker was haar niet te ontmoeten.

Toen eindelijk de slaap zijn leden verloomde, voelde hij alle herinneringen om zich wegzakken, en hij sliep in met de beklemming na een boozen droom, die hem met schrik vervuld had en die nu van hem werd afgenomen.

Een zoete melodie zong in zijn ziel, en het werd al harmonie in hem. Een harmonie, waarin hij zich zelf zag met haar. En in dit oogenblik werd hij weggevoerd hoog boven het leelijke van het leven uit....

O.... te denken aan haar alleen!.... Het werd hem zoo een groote weelde, dat hij er zich niet meer aan kon onttrekken, en waarin hij wegzonk, in diepen slaap, nu zijn worstelstrijd had opgehouden; en hij zich liet gaan in zijn zoet verbeelden.

--Heb je goed geslapen? vroeg den volgenden morgen zijn moeder, toen hij haar zijn morgenkus gaf, en hij er zoo moe en afgemat uitzag.

--Ik heb lang liggen denken, Mama..., 't was laat toen ik insliep, zei hij.

--Je was wat overspannen....

--Misschien wel, en....wat je in bed denkt, is altijd verkeerd...., het komt toch steeds anders uit.

Zij schudde het hoofd en lachte hem goedig toe.--Malle jongen, je bent veel te ernstig....

--Te oud eigenlijk voor zulke jeugdige ouders.... U bent in al dien tijd niets veranderd en vader ook niet, die is alleen wat grijzer geworden. Hij zag zijn moeder aan met teederen blik. En in haar donkere oogen, zìjn oogen, lag een onuitgesproken vraag.

Mama wordt met den dag jonger, alleen nu jij hier bent en we voor onze oogen zoo'n volwassen man zien, als jij, herinneren we ons, dat we aan den ouden dag moeten gaan denken, mijn jongen...., de volgende maand wordt je al dertig jaar.... plaagde zijn vader.

Hij zag met zijn vriendelijk gezicht van nog frisschen ouden man naar Paul, en het ontging hem niet, dat er wat was met den jongen.

Paul voelde zich op dat oogenblik ellendig. Hij had zijn ouders een bekentenis te doen en die woog hem zwaar.

O.... hoe dikwijls had hij tegen den verlofstijd opgezien, als hij daaraan dacht....! Hij overwoog wel eens, toen de tijd al een beetje begon te naderen, of het niet beter zou zijn maar niet met verlof te gaan.

Een beslissing van den geneesheer maakte een einde aan al zijn weifelingen.... Hij werd met een spoedcertificaat naar Europa gezonden, tot herstel van een hardnekkige malaria, die evenwel gedurende de zeereis al beterde, zoodat Paul volmaakt gezond in Holland aankwam.

Den eersten tijd werd hij teveel in beslag genomen om veel na te denken. Hij leefde in een roes van uitgaan en kennissen ontmoeten. Van alle kanten wilde men hem een beleefdheid doen, er werden feestjes georganiseerd en Paul was overal het middelpunt van belangstelling.

Hij liet zich leven in volle onbezorgdheid, nauwelijks zich den tijd gunnend aan iets anders te denken, dan aan zijn genoegen.

En als een enkele maal de herinnering bij hem opkwam, verdreef hij die lichtzinnig met een ongeduldig hoofdbewegen....--Nu ja...., later.... Er kwam nog tijd genoeg om daarover te denken....

Nu, plotseling zeer sterk, overviel hem de gedachte aan wat hij met zooveel energie van zich had afgeschoven. Het liet hem niet meer los....

Een diepe plooi groefde zich in zijn voorhoofd; en dat maakte dat hij er ernstig en verouderd uitzag.

Zijn moeder zocht naar een oplossing voor die zonderlinge verandering in Paul.

Je kunt niet tegen die kou, je moest je meer ontzien, zei ze weer op een middag aan de koffie, hem zorgvol aanziende.

Paul gaf haar gelijk.--Ik geloof het eigenlijk ook niet, moeder, en daarom ben ik ook eenige dagen thuis gebleven; maar vandaag ga ik het toch weer eens probeeren....

En dien middag, al vroeg, ging Paul met zijn schaatsen op weg.

Er woei een scherpe Noorden wind, en de lucht stond grauw betrokken.

Paul trok den kraag van zijn overjas diep over zijn ooren en zoo, in sombere stemming, liep hij zich te bedenken welken kant hij uit zou gaan. Volkomen ernstig was zijn voornemen het meisje, dat zoozeer zijn gedachten vervulde, niet meer te zien. Hij zou tenminste trachten haar te ontloopen, en nam de tram naar de Vuchterpoort.

Hij veronderstelde dien kant uit het minste kans te hebben veel menschen te zien.

De binnenplaatsen in de tram waren alle bezet, en ook op de balcons viel bijna niets meer te veroveren; de voerder stak één vinger op, wees:--nog één plaats...

Paul wrong zich tusschen de dikke winteroverjassen van de heer en in een hoekje op het voorbalcon, steunde met de hand op het koperen handvatsel van de deur, en zoo zich schrapzettend bij elke beweging van de tram, soesde hij voort.

Vaag staarde hij door de bewasemde ruiten naar binnen, in de wagen, waar zijn doellooze blik gleed langs al die onbekende gezichten, mannen en vrouwen, die hem onverschillig waren....

Plots was het of een electrische schok hem doorvoer. In zijn hoekje had hij juist het oog op een dame. Eerst had hij haar niet herkend. Maar ineens werd het klaar in hem, dat dit hetzelfde meisje moest zijn, waarmee voortdurend zijn gedachten zich bezig hielden.

Zij zagen elkaar aan. En het leek wel of zij Paul ook herkende....

Hun oogen bleven eenige oogenblikken onafgebroken op elkaar gevestigd....

Het waren slechts enkele seconden, maar ze waren voor Paul van een zoo groot geluk, dat hij zich geen rekenschap gaf van zijn onbeleefdheid een dame te fixeeren.

Hij zag het meisje verbleeken, en toen het hoofd wat afwenden.

En zoo bleef hij haar stil bestaren, trek voor trek haar gezichtje in zich opnemend.

Hij wilde nu opletten waar zij uit de tram zou stappen maar zij reed mee, tot waar hij er uit ging.

Toen zag hij haar voor zich uitgaan; de schaatsen bengelden aan haar arm, langs den mof van petit gris, waarin haar handen wegscholen. Hij kon haar nu goed opnemen, en bleef eenige passen achter haar aan loopen, zijn gang vertragend, om haar niet in te halen.

Op de ijsbaan bewoog zich reeds een groote menigte, en Paul glimlachte, om zijn naïviteit, van een eenzaam plekje te willen opzoeken.

Was dit het noodlot, of zijn gelukkig gesternte, dat hen samenvoerde....? Als Paul geloovig was zou hij moeten denken aan een hoogere macht, die hen daar tot elkaar bracht.

Maar hij was niet geloovig, en hij zag het eerder als een gevolg van meer voor de hand liggende oorzaken.

Het was alles zoo zonderling in zijn werk gegaan.... en als hij aan het oogenblik, dat hij haar in de tram zag, terugdacht, doorvoer hem weer dat gevoel van opperste geluk.

En hij overwoog zich hierin te kunnen laten gaan zonder zijn voornemens ontrouw te worden. Dien middag bleef hij veel in den omtrek waar zij reed. En het toeval wilde, dat een van zijn kennissen, met wien hij stond te praten, haar groette, toen ze langs hen heen kwam.

--Wie groet je daar? vroeg Paul geïnteresseerd.

--Dina Tervoort, een kennisje van mijn zusters, ik ga haar dadelijk om een baantje vragen....

--Een mooi meisje wel, zei Paul.

--Dat wil ik waarachtig wel gelooven, maar een beetje difficile. Ze is niet jong meer.

Wat noem jij jong?

Nou ja, beneden de vijf en twintig.... Zij is de zes en twintig al voorbij.

Verwonderlijk, dat ze nog niet getrouwd is....

Ja, ze wacht misschien nog altijd op haar ideaal. Ik ken er wel die vues op haar hadden; maar het is geen meisje, die er een neemt om getrouwd te zijn. Zal ik je eens aan haar voorstellen?

Paul kreeg een schok. Het was toch wat moeielijk hierop neen te zeggen. Misschien viel ze hem wel tegen....

Eigenlijk vond hij het wel prettig eens wat meer van haar te weten te komen.

Nu ze daar buiten stonden, in het koude vriesweer, was het of die zware druk van Paul was afgenomen. Hij voelde zich weer vroolijk en opgeruimd, binnenin hem lachend om zijn sentimentaliteit.

Het was toch al te dol, dat hij geen meisje meer zou kunnen ontmoeten, of aardig vinden, zonder dat het spook van trouwen dadelijk achter hem stond.

Hij had zich eigenlijk teveel geretireerd dat was de oorzaak van zijn zich niet zeker voelen in gezelschap.

Nu met het ijs was het juist een goede gelegenheid zich eens wat meer onder de dames te bewegen. Hij zou straks enkelen vragen een baantje met hem te rijden en ook Dina. Die gedachte enerveerde hem buitengewoon.

--Ga je nu mee? onderbrak Van der Lisse Pauls bepeinzingen.

--Ja, zei hij beslist. En samen gingen ze in een vlugge vaart naar het tentje waar ze wisten dat de meisjes waren.

Dina stond nog met haar partner te praten, toen ze Paul op haar afzag komen.

Van der Lisse stelde Paul aan haar voor en dadelijk daarop vroeg hij:--Mag ik het genoegen hebben aanstonds een baantje met u te rijden, juffrouw Tervoort?

--Heel graag, antwoordde Dina, wat ontsteld hem plots zoo in haar nabijheid te zien.

Spoedig groepeerden allen zich tot paren.--We moeten niet te lang stil staan, waarschuwde Van der Lisse,--het is verduiveld koud.

Paul bood Dina zijn hand en reed het eerste weg. De anderen volgden.

Een paar maal namen ze de baan.

De scherpe noordenwind belette het praten. Elkaar stevig vast houdend gleden ze rustig voort, beiden weg in hun geluk van samenzijn.

--Ik geloof, dat we nu moeten uitscheiden, zei Dina: de anderen stonden tot een troepje bij elkaar.

Zij zei het op een toon van spijt, dien Paul deed jubelen van geluk.

Het brandde hem op de lippen het haar te vragen; maar Van der Lisse kwam al op hen af:--Wat denken jullie ervan de Wetering eens over te rijden? Het ijs is sterk genoeg, en hier is het zoo vervelend, je ziet telkens dezelfde gezichten....

Een oogenblik zagen Paul en Dina elkaar aan. Paul zijn hart begon hevig te kloppen.

--Ik wil wel, als het niet te laat wordt, zei Dina.

--Mag ik dan het genoegen hebben? Paul schoot dadelijk op haar toe, hij had de bedoeling van een van de heeren geraden Dina voor dezen tocht te vragen.

--Zeg, weten jullie zeker, dat het niet te laat zal worden? werd er geroepen.

Maar een gedeelte was al onderweg, en er viel niets anders te doen dan maar te volgen.

Toen ze eenmaal goed op gang waren verspreidde zich het troepje. Paul, die aanvankelijk met Dina tot de eersten behoorde, werd telkens door een ander paartje ingehaald.

Het werd al schemerachtig, en een donkere grijze lucht koepelde laag over het winterlandschap; een enkele schaatsenrijder kruiste soms hun weg, of haalde hen in, daarna weer die doodelijke eenzaamheid in de starre kou van den winternamiddag.

De avond, na een grijzen dag, viel vroeg in, en enkele lichtjes pinkten flauw van de boerenhofsteden, die wegdoezelden in den vagen schemer.

Het was daar buiten van een plechtige stilte. De maan, in eerste kwartier droefde flauwtjes door de zware wolken.

Paul en Dina, onwillekeurig wat langzamer rijdend, waren een eind achtergebleven.

Al dichter trok Paul het tengere figuurtje tegen zich aan om haar te beveiligen tegen de kou, en vaster sloten zijn handen om de hare.

Er stond een felle wind, die zich heviger voelen liet, nu ze op het open liggend terrein kwamen.

Beiden reden zwijgend door, terwijl hun harteklop als mokerslagen in hun borst dreunde.

Als een dreigende vermaning kwam soms bij Paul even een lichte herinnering aan de voorafgegane dagen zich indringen tusschen hem en zijn geluk; maar hij weerde die af, met de energie van een jonge zich sterk voelende, liefde.

Hij wilde nu aan niets anders denken dan aan zijn heerlijk, mooi geluk, zijn samenzijn met Dina; dáár, in die groote eenzaamheid geheel alleen met haar te zweven, in de sferen van zijn verbeelden.

Door niets zou hij zich dit heerlijk oogenblik laten afnemen.

Hij wist, dat hij Dina lief had, en tegelijk met die wetenschap, voelde hij de kracht in zich bergen te verzetten.

Gedaan was het met alle argumenten! Al zijn bange zorgen verijlden tot niets. In zijn ziel was slechts plaats voor den liefdegloed, die daar brandde, die hem schier den adem benam.

Op een plek, waar de eenzaamheid het grootst was, stonden zij beiden, als gedreven door een zelfden impuls, gelijktijdig stil.

--Wat is het hier heerlijk, het is niet eens meer zoo hevig koud, zei Dina, de pijnlijke stilte willend verbreken.

Zij zagen om zich heen de verre uitgestrektheid, waaruit een enkele boerenhoeve, in flauwe contoeren vaag opdoemde, beschenen door een twijfelachtig licht van lampeschijnsel, dat door de kleine ruitjes naar buiten viel.

Hondengeblaf scheurde even de stilte, toen weer die ongerepte rust....

En in die groote eenzaamheid sloeg Paul zijn arm om Dina.

Zij weerde hem niet af.

Hij trok haar aan zijn borst, en kuste haar in een lange en innige omhelzing.

Ontroering belette hen een woord te uiten....

Heel dicht tegen elkaar aangeleund reden ze verder, stuurden nu op huis aan.

--Mag ik van avond even komen? vroeg Paul, toen ze de stad naderden.

Dina knikte....

--Ik moet met je spreken, zei hij.

Ze vond het goed.

En zoo scheidden zij....

Gejaagd kwam Paul dien middag aan tafel.

--Als je het maar niet overdrijft, waarschuwde zijn moeder, toen hij vertelde van den tocht, dien ze gemaakt hadden.

Maar Paul, in zijn overmoed, stelde haar gerust.--Het heeft heusch niets te beteekenen, mama, zei hij, en hij vertelde haar, dat hij in den loop van den avond nog even uit zou gaan.

Dadelijk na de thee, even voor half negen, stapte Paul naar de familie Tervoort.

Een koortsgloed brandde op zijn voorhoofd toen hij aanschelde.

Het dienstmeisje liet hem in den salon, waar de lichten ontstoken waren, en een vuurtje in den haard smeulde.

Paul voelde zich als in een droom, oneigenlijk, voortgedreven al vooruit. En de oogenblikken, die hij wachten moest, leken hem een eeuwigheid.

Nerveus luisterde hij naar de voetstappen, die van buiten naderden.

Plots werd de deur geopend, en Dina stond voor hem.

Heel even, toen hij haar daar zag inkomen, in haar nauwsluitend toiletje van bruin laken, en hij haar mooie gezichtje zag nu voor het eerst zonder hoed, was het of de moed hem ontzonk, en een weifeling draalde in hem.

Maar toen ze haar armen om hem heen sloeg, in algeheele overgave van haar jongemeisjesziel, week zijn wankelmoedigheid, was hij weer meester van zich zelf.

Hij trok haar aan zijn borst, en kuste haar heel zacht.--Ben je alleen thuis? vroeg hij, haar beide handen nemend, en die leggend op zijn borst.

--Papa en mama hebben hun whist-partijtje, ik heb maar niets gezegd van je bezoek omdat ik bang was, dat het niet zou mogen.... zei ze hevig blozend.

--En ik vond het zoo heerlijk, dat je kwam.

Hij sloot haar weer in zijn armen,--lieveling!.... toen hoogernstig, nam hij haar bij de hand, en bracht haar bij een lagen fauteuil.--Ga hier zitten.... Hij zelf knielde bij haar neer.

--Je houdt dus wel een klein beetje van me?.... Hij zocht gestaag haar oogen, die hij vast hield in zijn blik.

Zij knikte, leunde zwijgend haar hoofd tegen zijn schouder, luisterde naar zijn stem, die haar muziek leek.

Het viel hem moeielijk een goed begin te vinden tot inleiding van wat hij haar zeggen moest.

--Hou je genoeg van me, om me een heel groot verdriet te vergeven, dat ik je ga aandoen?....

Zij schrok, zag recht naar hem op....

--Kijk me niet zoo aan, lieveling, dan heb ik den moed niet het je te zeggen.... En het moet, ik mag met geen leugen onze toekomst bezwaren....

--Ik heb een kind....

Verbaasd richtte Dina haar oogen op hem.--Ik wist niet, dat je weduwnaar was....

Hij schudde het hoofd, en tot een pijnlijk lachje vertrok zijn gezicht.

--Het is een kind van een Inlandsche vrouw; ik heb het in Indië gelaten, bij de Zusters, op Batavia....

Hij durfde haar nu niet aanzien in dit vreeselijke oogenblik.

O, als ze slechts een enkel woord tot hem sprak, hem haar verachting toebeet, hem beleedigde desnoods.

Maar dat ontzettende stilzwijgen....