Part 1
BALMOEDERTJE
DOOR
E. OVERDUIJN HEYLIGERS
TWEEDE DRUK
L. J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM
TYP ZUID-HOLL. BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.
I.
Ze had uren zitten droomstaren, zoo maar stil voor zich uit. De kleine roode vlammetjes in grillige uitpunting, speelden tegen de dof-glimmende mika-ruitjes van de vulkachel.
't Was of haar ziel die vlamsprongetjes en den spelenden rondedans der lichtjes meehuppelde. 't Dartel gedans van vlammetjes, opduikend en wegploffend, in gloed en bleeke glanzen, haar ziel lokkend naar het geheimzinnige gegloei van dit toovergrillige vulkaantje.
Ze keek uit het raam, waar in den grijzen mist van wintermiddag wat menschen voorbijgingen, een vlug, een ander met sleurigen tred. Decemberwind bolderde rond, joeg het mistige genevel in golverig grijs door de straten.
Emilie bleef turen en droomen in de druilige mistsfeer, wachtend in spanning den klank van de huisbel op dit uur; want dadelijk daarna stortte een jubellach door de gang, de lach van haar kind, die haar deed opschrikken van geluk.
O, hoe kon zij zich nu nog verkneuteren in het reeds jaren voorbije gevoel en de voorstelling van twee kinderarmpjes, die zich plots knelden om haar hals, warm en met een hartstochtelijke kinder-innigheid; als ze dan dadelijk daarop voelde het zachte kindermondje dat haar zoende en dan eindelijk het heele guitige kopje van haar dochtertje, vlakbij haar eigen gezicht, bekeek, 't kopje, dat haar tegenlachte met een onbezonnen jubel en een vroolijke onbezorgdheid, die haar eigen somber gepeins en haar wroeten in donkere herinneringen heelemaal verdrong.
Door de jaren heen was ze grooter en volwassener geworden, haar kind, haar Elly; maar in haar eenzaam leven wachtte ze toch altijd op één uur: de klank van de huisbel, niet lettend op de rijpwording van het jonge kind, met een innige overgave gehecht aan haar omarming, haar kussen en haar zonnige vroolijkheid....
Over enkele dagen zou Elly achttien jaar zijn. Zonder dat ze goed wist waarom, bracht het denken daaraan een groote ontroering in haar.
Elly achttien jaar!
Emilie kon het zich niet indenken. Ze begreep niet wat dat zeggen wou.
Elly, dat kleine kind, met de warme, haar hals toeknellende armpjes, met het snaterende kindermondje, met dat kristaljubelende lachje, achttien jaar.
Ze keek weer uit het raam, tuurde in den fijnen neveligen mist. Zoo grauw, zoo grijs-stil was het nu ook in haar binnenste, zoo droef en zoo lichtloos haar gedachten.
Elly achttien jaar! Dat dartele stoeiende kindje....
Over een paar dagen zou ze naar een bal gaan, zou ze voor 't eerst het groote leven ingestooten worden, zou ze de schittering en de weelde zien en ondergaan, de bedwelming en het koortsige geluk van het eerste uitgaan.
O! als ze nu dacht aan zichzelf, aan haar eigen jeugdleven, aan de zacht-soezige bedwelming en verrukking, die ze zelf had ondergaan.
Achttien jaar, háár Elly.... nu geen kind meer, met lief gebabbel en schertsend gestoei.
Ze zou het leven en de wereld ingaan en wat met haar gebeuren ging bleef nog een groot geheim. Dat maakte haar juist zoo bang.
Daar hing haar witte balkleedje, waaraan zij zoo hard gewerkt had. Als een liefkoozing wolkte de ijle witte doorzichtige stof. En nu al zag ze het ranke lijf, de tenger-mooie gestalte van Elly er zich in bewegen.
En ook zag ze vóór haar, zoo klaar alsof het in werkelijkheid gebeurde, de bewondering, die ze overal opwekte. Dan lachte ze in zichzelf van geluk, en dan plots kreeg ze een smartgevoel, iets dat scheurde tusschen haar geluk en haar leven. Ze had haar kind hartstochtelijk lief. Elly was alles voor haar. Ze groeide in Elly's jubel en ze genoot van haar schoonheid.
Ze vond het heerlijk dat de menschen haar meisje bewonderden om haar lieftalligheid en haar bevallige verschijning, en toch wrokte er iets in haar, als ze het kind zoo hoorde adoreeren.
't Was de onuitgesproken, maar in haar hersens knagende angst, dat ze niet alles zou blijven voor het kind, dat ze verdrongen zou worden door attenties van anderen, vooral attenties van jonge mannen, die haar het hof gingen maken. 't Denken aan die mogelijkheid bracht een hitte in haar gedachte, die haar gek maakte van benauwing. Dan suste ze haar eigen onrust door honderd keeren tot zichzelf te zeggen, dat zoo iets niet kón, dat Elly haar nooit missen wou omdat hun zieleleven, hun belangen, hun voelen en hun innigste intimiteit met fijnste vezelen was ineengeweven,
Neen, ze mocht niet jaloersch zijn, ze mocht om haar denkbeeldigen angst het kind niet buiten een wereld van heerlijk jeugdgenieten sluiten.
Want hoe trotsch zou ze niet zijn op haar kind, als ze zich daar bewoog in die mondaine kringen, zoo subtiel en zoo rank, met al de frischheid van een jeugd-meisje en een naïeve coquetterie van een half bedwelmd kind, dat voor het eerst dien stroom van wereldsche genietingen op zich voelt aanbruisen. O, wat zouden al die andere menschen haar benijden, als ze moesten aanzien, met stijf verwrongen mond, dat op dàt bal, háár Elly 't mooist, 't bevalligst was; en in de gracelijke ijlheid van haar fijne witte kleed daar zou opwasemen als een blank nimfje uit een sprookje op een kleurgloeiend avondfeest.
Neen, geen jaloezie erover, dat de wereld haar kind zou wegnemen.
Maar wat dan was 't, dat zoo knaagde en chagrijnde in haar binnenste! 'n Wrevelige angst, misschien een voorgevoel?
Ze lachte nu in zichzelf.
Plotseling kreeg ze een rust in haar gedachten, begreep ze iets van het telkens haar ontglippend angstgevoel.
Ze had in het jagende zoeken naar de oorzaak iets begrepen.
't Flitste door haar heen de gedachte, dat nu ook zij voor het eerst, na jarenlange afzondering en droeve levensvereenzaming weer de wereld intrad.
Hoe drong haar verbeelding weer innige herinneringen op; levensstoeten van jeugd, liefde en geluk. En dan plots daartusschen-in 't donkere stille onzeglijke droeve gezicht van de smart, de smart, die haar nu jaren en jaren zoo al stil bestaarde.
II.
In de toiletkamer voor de psyché stond Elly.
Zacht rozig licht omglansde vaag haar fijne gestalte. 'n Gloed van koorts brandde op haar wangen, en met ongeduldig gebaar wierp ze af haar ruimen kapmantel, even luchtig maar omgehangen om zich te laten kappen. Nu in haar laag kant-omzet onderlijfje en den slank uitplooienden onderrok leek nog teerder haar fijn figuurtje.
--Klaar? vroeg haar moeder gejaagd, bijna geruischloos binnenkomend.
Ze knikte even maar, terwijl ze door bleef kijken in den spiegel naar haar kapsel dat ze met een verheerlijkt gezicht stond te bewonderen.
De ragfijne blonde spinsels van heur haar krulden nu saamgestrengeld in licht vangende golvingen, als een kapsel van lichten glans, dat droeg de trossen heliotropen.
--Paars bij blond, verrukkelijk, had de kapper gezegd bij het weggaan.
--Laat mij je nou heel voorzichtig helpen, drong mevrouw Van Weelen aan, opvangend in haar armen het ijle kleedje.
In streelende en verteederde gebaren hielp ze 't Elly over de schoudertjes.
--Nu de taille.... maar wacht, eerst nog wat poeder.
Een fijn wolkje verstoof in de kamer, daalde zacht neer op Elly's blanken hals. Mevrouw donsde even lichtelijk met de houppe haar schouders en blank gezichtje. En terwijl Elly zenuwachtig en gejaagd dichthaakte het ijle kleedje, deed mevrouw eenige schreden achteruit in de kamer, stil bewonderend het tengere figuurtje in één wolkerige schittering: haar dochtertje.
Elly zag in den spiegel haar lieve moeders bewondering.
--Zorg nu eerst voor u zelf, moedertje, en laat mij u nu helpen. Ik heb nog alleen mijn handschoenen aan te doen.
--O, ik ben dadelijk klaar. Zorg jij maar dat er niets komt aan je mooie kleedje. Ga nu naar beneden in de huiskamer, tot ik je je sortie kom aandoen.
En gejaagder met zenuwachtige klankstootjes in haar stem vroeg mevrouw weer door:
--Heb je alles wel? Heb je je waaier, je sortie, je handschoenen?
--O ja mama, ja mama, maak u niet zenuwachtig, alles ligt beneden klaar.
--Goed kind, goed, goed, ga dan als je wilt.
Maar Elly treuzelde nog wat bij de deur, bezag moedertje en haarzelve in den spiegel en kwam toen met aarzelende gebaartjes terug.
--Moesje, luister nu eens.
Heel dicht tegen haar aangeleund, in lievige aanvleiing van haar teere lijfje, sloeg ze haar armen om den hals van mevrouw van Weelen.
--Moesje, moesje, biecht eens op. Lijk ik nu werkelijk op u?
Mevrouw van Weelen werkte zich los uit hare omhelzing, zei, in schijn verstoord:
--Dwaas kind, we zullen nog veel telaat komen, als je me niet met rust laat.
--Wat zou het, mijn boekje is toch vol. Neen moes, zoo komt u er niet af. U moet me zeggen of ik op u lijk. Ik zou 't zoo dol dolgraag willen.
--Och, zwijg toch kind. Wees toch niet zoo dwaas.... Hoe....
--Neen moesje, neen, u moet het zeggen, drong Elly guitig-lief aan.
--Nu, goed dan kind, je lijkt op me, veel, heel veel zelfs.
--O, heerlijk, heerlijk, juichte Elly, terwijl ze in een jubeling de trap afging.
Mevrouw van Weelen bleef even in gedachte staan voor den spiegel, terwijl ze een vaag bewustzijn had van het zien van zichzelf.
Ze leefde als bewust bewusteloos, ze hoorde en ze zag de dingen een oogenblik en tegelijkertijd voelde ze toch de gewaarwordingen alsof ze er zelf buiten stond.
Buiten klonk plotseling geluid van voorbijratelende wielen. Met een schok joeg het in haar op dat ze moest voortmaken. Beneden hoorde ze al de klok slaan. Vlug nu het zwart-grenadinen met champagnekleurige-zijde gevoerde kleed aangetrokken.
Op den stoel bij haar handschoenen en waaier lag een donkerroode roos. Even hield zij ze tegen haar borst, dan met een vlug grillig gebaar wierp zij de bloem in de lampetkan.
--Geen rozen.... geen rozen....
Het aantrekken van haar nieuwe handschoenen ging sarrend langzaam en al heviger werd haar onrust om het telaat komen. Alles gloeide in haar aan. De inspanning bracht een fijn kleurtje op haar wangen, dat haar een blosje van schijnjeugd gaf.
Ze zag zichzelf even angstig weer in den spiegel, bedonsde zich nog vluchtig met haar houppe en viel toen zuchtend neer op een stoel.
Ze had niet kunnen denken, dat haar de emotie van uitgaan zóó weer zou aangrijpen, zóó een haar innerlijk verbrandende onrust in haar opjagen, die dwars door den gloed van haar herinnering heen schreed. Toch wilde zij zich goed houden voor Elly.
Ongestoord moest dat kind genieten van haar eerste geluk.
Wel verdwaasde dat woordje tot een leeg gestamel van woorden in haar hoofd.
Geluk?
Ze lachte even zacht als een zieke, die onbewust het valsch opdringerige meelij achter troost-praatjes voelt.
Jaren geleden had ze hier gestaan voor dezelfde psyche, omwolkt in den goudgloed van haar illusies.
Toen had ook zij hare entrée gedaan in de wereld, om haar heen louter weelde en bewondering, een kleurige avond van volzalig geluk en een geruisch van beloften en van schoon toekomstleven om haar heen.
Ze zag alles weer duidelijk als in een visioen en toch als klare werkelijkheid. Ze hoorde weer een naam die al zoo lang achteruit was geschoven in haar herinnering.
O, wat kon de enkele eenzame klank van een naam weer een gedachtengroep optooveren, weer het leven terughalen uit de duisternis van een afgestorven smart.
Wat een wondere avond was het geweest, toen Varennes, de Fransche attaché, haar boven die allen verkozen had, haar openlijk zijn hulde had gebracht.
Ze had er niet van kunnen slapen dien nacht. Ze had niets anders gezien dan den mooien donkeren man, die in haar levenslijn was getreden. Ze had voor niets anders oor dan voor den zoeten klank van zijn stem en voor niets anders oogen dan voor het ranke mooie van zijn gestalte.
Van zijn kant had hij haar overweldigd met koesterend gevlei en bedwelmd met hartstochtelijke liefde-uitstorting.
In de schoonste bloemen die hij haar zond wou hij een liefdetaal van kleuren uitspreken en in de kostbaarste geschenken iets leggen van zijn essentieelst gevoel voor haar, iets geven van zijn diepsten hartstocht en van zijn innigste vereering.
Al kort na hun kennismaking werd hij teruggeroepen naar zijn land, was door deze plotselinge scheiding dadelijk een groote levenssmart over haar heengegaan.
Varennes niet meer te zien, den zang van zijn stem niet meer te hooren, leek haar ophouden te leven.
Al was hij weg, ver van haar af, toch bleef in haar doortrillen zijn gloeiende hartstocht, zijn liefde die de ziel van haar toen nog onervaren meisje had meegesleurd in een oppersten roes van geluksbedwelming.
Hij had haar beloofd terug te komen, heel, heel spoedig. Hij schreef haar ook wel een enkelen maal. Maar in den toon van zijn brieven klonk een stroeve teruggetrokkenheid, een zich willen losrukken van iets, dat hem lastig was geworden.
Met vrouwelijke intuïtie en een onbewust fijn doorschouwen had ze dadelijk gevoeld hem te hebben verloren.
Met een schrik in haar ziel werd zij zich dat plotseling bewust. Er brak iets in haar als een instorting. Er stierf iets in haar klachtloos en heel diep van binnen; er sluimerde een rouwsmart over haar heen, die alles in haar vervaalde....
Een jaar later was ze getrouwd met Van Weelen, wien ze haar levensleed had uitgezegd en die haar daarna toch een troost wilde zijn. Vóórdat Elly echter geboren was, stierf hij aan de tering.
Dat was haar tweede groote smart.
Ze had Van Weelen geacht om zijn zuivere genegenheid en zijn onbaatzuchtigen troost. Ze had hem nooit lief gehad met een bedwelming van haar eerste verrukking voor Varennes.
Maar toen hij gestorven was, bleef er iets in haar ziel weenen, ook lang nadat Elly ter wereld kwam.
De goede zachte genegenheid en de stille bescheiden omkoesterende liefdevereering van Van Weelen voor háár, de vrouw al eens gebroken door verleidingsgepraat, bleef langer in haar droeven dan de herdenking aan het bedrog van Varennes zelf.
Er was nog later een stille berusting in haar opgebloeid, een passief aanstaren van het leven, dat in schijn van woeste grilligheid ieder van zijn schepselen een anderen kant uitdrijft, zonder dat het kleine menschenverstand bij machte is te vatten het doel en in stamelende ontzetting maar steeds vraagt waarom? Waarvoor dat alles?
Zoo schreide haar stille smart in de eenzaamheid van haar gewillige berusting, voelde ze slechts één sterken drang in haar leven, zich te wijden aan het kleine lieve kindje, dat nog was als een materieele verbinding tusschen haar en haar gestorven man.
Zoo waren de jaren over haar heengegaan in die passieve onderwerping, in die zachte en doezelige apathie, die haar geen schokken en geen emoties meer bracht.
En nu plots een twintig jaar later, nu ze haar eigen Elly, haar lieveling voor het eerst de wereld in zou sturen, nu was plots dat verleden leven opengebroken onder het felst herinneringslicht.
Nu zag ze Varennes staan, dien donkeren mooien man, met z'n trotsche gestalte, z'n heerschend gebaar, z'n hartstochtelijke oogen.
Nu hoorde ze weer den zoeten klank van z'n stem. Nu kwam weer op haar af dat aandoenlijk-angstige geruisch van beloften en toekomstidealen, voelde zij zich plots weer in die zalige duizelige verrukking van haar eerste liefde voor hem, voelde ze weer z'n gloeienden adem branden op haar wang en zag ze weer den gloeienden hartstochtbrand van z'n diepe oogen op haar toevlammen.
Het was haar alsof ze onder het gefluister van z'n liefdestem weer duizelde in den trillenden weemoed van haar verlangen, alsof hij haar daar plots zou omhelzen en wegvoeren, ver, ver buiten de wereld.
Hoe had zij zich op dit uur, waarop zij niets anders te doen had dan haar kind te begeleiden en geluk te geven; hoe had zij zich zóó kunnen laten aangrijpen, door iets dat ze al zoo lang dood had gewaand in haar ziel!
Ze rilde en beefde en tòch sidderde in haar ziel de wil om zich te beheerschen, goed te houden voor haar lieveling.
In de straat daverde een rijtuig aan, dat stil hield voor de deur.
Ze schrok òp.
Weer bezag zij zich in den spiegel. Haar opwindingskleurtje was weggetrokken.
Nu herkende zij zichzelf weer beter in den matbleeken ernst van haar versmartelijkt gezicht.
--Moes, moes, komt u, het rijtuig is voor?
--Ja, ja, kind, ik kom, ik kom.
Langzaam ging zij de trap af, luisterend naar het fluisterend frou-frou van haar kleed.
In zichzelf flitste nog even de gedachte, dat ze er toch nog jong uitzag, dat heur haar nog mooi blond was gebleven, en dat het leed, dat jaren en jaren haar innerlijk doorknaagd had, haar van buiten niet had aangetast.
Ze was iets voller geworden, maar ze leek toch meer een oudere zuster dan een moeder van Elly.
Ze begreep zelf niet waarom ze met zooveel vreugde in zich dat herdacht.
Was haar vrouwelijke ijdelheid dan nog niet dood na zooveel leed en zooveel vereenzaming?
Ze durfde zichzelf daarop niet antwoorden, want diep, diep in haar bleef onder misleidend zelfgepraat een vreugde trillen, dat ze toch mooi was en jong en telkens kwam in een geheimzinnige gevoelswerking weer vóór haar staan Varennes, de donkere mooie man.
III.
In de balzaal, vol en wazig doorgloeid van goud kroonlicht overviel haar een duizeling, ze rook vreemde bloemengeuren; de muziek zwirrelde klanken van een bekenden dans naar haar, streelend, bedwelmend, lokkend.
Een zacht geraas van stemmen zong als een zomerzee tegen avondduinen. Ze hoorde om haar heen haar naam noemen, half in schrik en verwondering; ze duizelde er zelve van.
Maar ze herstelde zich heel gauw, zichzelf opdringend, dat ze alleen gekomen was voor Elly.
Elly liep even naar haar kennisjes toe, begroette die in stralende vroolijkheid, kwam toen weer dadelijk terug om een paar goede plaatsjes uit te zoeken.
--Waar wil je nu zitten moesje?
--Ja kind, beneden zooals je ziet, is alles bezet; zal ik dan maar niet boven gaan op de galerij; daar kan ik je dan meteen goed zien.
--Goed, goed, moesje, vroolijkte Elly en huppelde naast haar moeder de trap op naar de galerij.
--Vindt u 't hier nu heusch echt prettig, moes? Ja? Dan ga ik maar naar beneden, dartelde Elly doorsnappend en tegelijk zich voorover buigend om zoo het gezicht op de volle zaal te krijgen.
--Best, kind; maar zul je niet al te lang achter elkaar dansen lieveling? en je niet teveel vermoeien?
--Neen, neen, neen, moesje.
--Ja, ja....
--Och neen moesje! En wat moet ik nog meer niet doen?
Lachend met dartele oogen en lief tartenden blik zag ze haar moeder aan en drukte met onstuimige hartelijkheid haar hand.
--Nou, dag moes.
--Dag schat.
Ze zat nu heel alleen, mevrouw Van Weelen, op de donkere galerij, wat teruggeschoven als in vergetelheid.
IV.
Beneden haar woelde de roezemoes van lichte toiletjes, de heeren in rok, zwart en gestrakt als kellners, de claque in de hand. Enkele uniformen schitterden met zachte gloeiing van gouden vangsnoeren tusschen de zwarte rokken en kleurige baltoiletjes.
Mevrouw Van Weelen kon nog niet onderscheiden, zag niet anders nog dan damp uitstralenden gloed van licht, hoorde den feestroes op haar aangonzen; en onophoudelijk bleef ze getroffen door de streelend zoete klanken van de zachte bedwelmende dansmuziek.
Toch zonder te zien persoon voor persoon, voelde ze met een trotsch zelfbewustzijn, dat haar Elly, haar mooie Elly daar tusschen die menschenwemeling een heel lieve figuur was.
Soms onder de lichtende voorbijzweving van dansende paren, meende ze even haar gezichtje te zien, of de fijne blankheid van haar kleedje. Maar dan plots zwierden weer nieuwe paren tusschen de plek, waar ze haar dochtertje meende gezien te hebben en haar in, tuurde ze met zoo groote inspanning, dat ze vermoeid en duizelig de oogen sloot. Dan hoorde ze weer de lokkende streelklanken; de zoete muziek begon in haar eigen ziel weer een zacht liedje van verlangen te zingen. Er koortste een heet gevoel in haar.
Als ze zich niet beheerschte zou ze zich wel dadelijk willen laten gaan, zou ze de galerij willen afstappen, zou ze zich storten in het gewoel der dansende paren.
Zoo zat ze, de oogen van vermoeienis gesloten, de lokkende dansmuziek in haar ooren, en voor haar weer het visioen van dien donkeren mooien man, haar eigen jeugd en verrukking den avond, toen ze de wereld met al haar wee en liefde voelde te kunnen omvatten te kunnen dragen.
Had ze ook nu geen recht, koortste het in haar gedachten, op geluk, op nieuwe ontroering. Was die rythmische dansmelodie om haar te roepen om mee te drijven in dien zaligen stroom van verrukking, die daar beneden haar uitging naar allen kant.
Moest zij dien zachten zwijmel van tonenpracht niet meer hooren en niet toegeven aan dat demonische verlangen om daar plots te gaan tusschen die dansende wereld aan haar voeten, die gloeiende wereld van weelde en uitbundigheid.
Ze huiverde, ze rilde van angst voor haar eigen opstandig gevoel, dat toch weer met smartelijk ingehouden drang moest sterven in haar eigen ziel.
Ze voelde geweldige hartbonsingen en een benauwing die haar als deed stikken.
O dat die duivelsche muziek zweeg, dat het orkest wegstortte uit de zaal, dat ze niets meer kon hooren, niets meer kon zien, en dat toch in haar ophield dat jubelend verlangen naar nieuw geluk en nieuw leven.
Plotseling, overweldigd door een smartgevoel, zich niet langer kunnende bedwingen, schreide ze zacht, opende ze haar oogen.
Nu merkte ze, dat meer menschen op de galerij hadden plaats genomen. Ze schrok bij het denkbeeld dat anderen haar ontroering hadden gezien, haar ook misschien hadden bekeken terwijl zij weende.
Was ze nu weer vergeten waarom ze eigenlijk hier bleef? Toch alleen om Elly te chaperonneeren. Hoe kon ze nu zoo doen, zich zoo laten kwellen en martelen door een innerlijken strijd, waarin ze toch zelf altijd de nederlaag moest lijden.
't Soesde weer om haar heen, 't geraas en geroezemoes.
't Lang alleen zijn en het turen op de wemelende paren begon haar te kwellen.
Waarom kwam Elly haar toch niet eventjes aanspreken?
Weer bleef ze een poos in stomme onbewustheid staren met achter haar hoofd de lokkende roepstem van haar eigen verleden.
Toen langzaam als uit een verdooving opklarend bemerkte ze, dat het in de zaal leeg was geworden.
Plotseling hoorde ze achter haar 't lief luiende lachje van Elly.
--Moeder, mag ik u voorstellen?
Elly stond voor haar met een slanken heer, wiens naam ze niet goed gehoord had. Snel naar hem opkijkend voelde ze plotseling een schrik, een verstomming die haar verlamde.
Vlak voor haar stond de Varennes, ouder, ernstiger, maar met denzelfden hartstochtgloed in de donkere geheimzinnige oogen.
Hij bleef, niet merkend haar schrik, wat met haar praten, complimenteerde haar over Elly's verrukkelijk walsen.
Terwijl hij sprak had ze haar zelfbeheersching herwonnen, deed ze niets dan beleefd glimlachen en ja knikken; ze voelde wel, dat ze er bleek moest uitzien.
Maar met haar sterkste wilsinspanning wou ze ontkomen aan lichtelijk argwaan-gekijk van Elly.
--Mag ik straks nog een dans van u hebben, freule?
Even vreugde-gloeiden Elly's oogen.
--Al mijn dansen zijn besproken, maar wil u een extra?
--Heel, heel gaarne.
Toen boog hij voor moeder en dochter en ging heen.
Mevrouw van Weelen zag hoe Elly hem volgde met bewonderend en liefkoozend kijken. Ze wist zelf niet meer wat ze voelde: verbazing, schrik of angst. Plotseling merkte ze het liefkoozend handje van Elly die ook streelde met haar stemmetje.
--Nee moes, u mag nooit meer zoo alleen gaan zitten; ik heb aldoor aan u gedacht onder het dansen.
--Zoo lieveling, lispelde ze heel zacht.
--Ach moes, niet zoo ernstig kijken, dat maakt u oud.
--Dat ben ik tóch Elly. Jong zijn alleen zij, die zich jong voelen, ik voel me heel oud.
V.
Ze bleven samen nog wat praten en Elly vertelde in onstuimige vreugde van haar succes, dronk intusschen gretig van haar champagne frappé, was zoo opgewonden dat haar moeder haar bestraffend aankeek.
--Ik heb ook zoo'n dorst, verontschuldigde ze bangelijk.
De pauze was om.
--Nou moet ik weer weg, zuchtte Elly, de fijne plooien van haar kleedje rechtschikkend aan haar lijf.
--Zie ik er nog goed uit moeder, nog niet gefaneerd?
En zult u nu eens echt naar me kijken?