Part 9
Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer heulsap gezien.
In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden, behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden; maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken zelfs van een eerste bezoek.
Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog treffender maakte.
In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken gesleten werd.
Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” (opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest anders worden!
Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani (snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der „potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen; want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo feestvollen dag kenmerkte.
„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand, menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den „panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in meer verfijnde maatschappijen voorvallen.
Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.
Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden.
Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet verwelkomden.
De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de „toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.
Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke „kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk voorzienen gaard zouden neervallen.
Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met hare welluidende tonen.
„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.
En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die onder de jolige menigte heerschte.
Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen ongebruikelijk, moest gelden.
Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” (sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de „sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had een woord van dank voor den milden Singomengolo.
Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste muziektonen begroet.
„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.
Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:
Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng” (fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp) duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.
De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, te gemoet.
Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning geslaakt, te eindigen.
Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte wegstierven.
De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.
Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten hanteeren.
De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.
Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan, dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen niet veel te vinden.
Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig gebaar naar het geopende speelhol.
„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” (kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.
Dat was olie in het vuur geworpen.
„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der omstanders.
„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen duivelen-lach.
Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen vergeten!
„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”
„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten klinken!”
En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.
Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten verstrikt was.
Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee, de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!
Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol, en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s” [63] vernomen werden.
Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd te zijn.
Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.
Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te groot was.
Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.
Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64]
Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien uitslag vernam:
„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet houden!”
VIII.
EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE.
Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan. Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.
Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden, daarop voortstuwden.