Part 8
Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor ’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf [41].
„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag naar herwaarts?”
De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den Kandjeng toean te vernemen.”
„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen doen.”
„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder een goede plaats vindt...”
„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident glimlachend.
„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het residentiehuis insloop.”
Van Gulpendam spitste de ooren.
„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”
„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”
„Nu, laat hooren, babah.”
Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch niet zou begrijpen.
Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd was, geen opium was.
„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.
„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs” (verdikt plantensap).”
„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan bestaat er geen overtreding.”
„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium is.”
„Drommels!”
„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het Gouvernement aan de pachters verstrekt...”
„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam verbaasd.
„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster in handen gesteld van den apotheker.”
„En wat heeft die beslist?”
„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.”
„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de zaak haren loop hebben.”
„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....”
„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.”
„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de stereotype glimlach van zijn gelaat niet week.
En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:
„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens bezichtigen?”
De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen voorstelde.
De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den Chinees weer over met de woorden:
„Zeer fraai, inderdaad.”
„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”
„Wat, gij wilt?....”
„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.”
Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd, het gesprek van straks:
„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den oever?”
„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”
„Kunt gij die vertrouwen?”
„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de Chinees met een valschen glimlach.
„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan gevonden werd?”
„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”
„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen is, nietwaar?”
„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”
„Dan weet ik genoeg, babah.”
De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.
„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.
„Van welke?”
„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”
„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” betuigde de Chinees.
„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....”
„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”
„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....”
„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....”
„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt zwaar, zeer zwaar gestraft!”
De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te voorschijn.
„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag het zoo kunnen?”
„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident bewonderend.
„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.”
De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens den blik er in vallen.
„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” (leverancier).”
„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te nemen?”
„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk genoegen.”
Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet in den stijgbeugel te hebben.
„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....”
„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat ik doen kan.”
De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. Plotseling bedacht hij zich:
„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd heeft?”
„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”
„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de kaars vliegen.”
De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.
„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”
Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van den babah.
„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde.
Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.
„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in het oor.
Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.
„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen aan te kijken.
In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem aan, en drukte hem een kus op de lippen.
Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden vertegenwoordigde.
Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden.
„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij wat ik heb....”
„Wat gij hebt?”
„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”
„Maar, wat dan toch?.... Vertel....”
„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....”
Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten, opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer vies uitzag, ontwaard werd.
„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren wilde. „Eerst dat, Gulpie!”
Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. Zijn gelaat gaf walging te kennen.
„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”
„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal” [45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”
„En wil je me dat laten slikken?”
„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij... Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....”
Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende beweging volvoerde.
„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe, slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is te kostbaar!”
En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was.
„En nu het verhaal?” vroeg hij.
„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je alles vertellen.”
Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te zetten.
En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, dat hij toen zijn doel niet bereikt had.
Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had.
Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde. In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:
„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen. Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij mij dit aangeboden.”
En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van edelgesteente tot sluitstuk had.
„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende lichtstralen overtoog.
Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd, hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:
„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”
„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...”
„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel, betoel! (inderdaad) Hari ontong!”
VII.
EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT.
Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige, maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.
Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste „assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de „katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de „poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar aangename verscheidenheid van kleuren.
De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo een heerlijk beschaduwd terrein leveren.
Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden, werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,” „djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!
Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te Kaligaweh teruggekeerd was.
Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa losgebroken.
Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51] Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.