Part 7
„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”
„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama te ontvangen?”
„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van Beethoven spelen....”
„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus 36, verzoeken?”
„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het omberen.”
Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten.
Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten, noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord, noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden; neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking, gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld vooruit te komen!
Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen gegeven.
„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?”
De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.
De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te turen.
„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”
„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”
Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.
Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de stem van de dochter des huizes weerklonk:
„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, het is tijd.”
„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog niets gehoord!”
„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij omslaan.”
„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap heel andere kaarten op.”
„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch hier doen?”
„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.
„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen zin.”
„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen niet ver.”
„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!”
De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool begon:
„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik dadelijk gekomen.”
„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”
En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en bekeken, fluisterde het jonge meisje:
„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil! onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...”
„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren opstaan, overluid.
„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op de piano, als ik u bidden mag.”
„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.
„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.”
Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de bladen om te slaan.
„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat briefje te schrijven.”
„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”
„Luister aandachtig.”
En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.
Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte, vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet hooren.
„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend.
„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op gedempten toon.
„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”
„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van dien aard.”
„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”
„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu de fleurs d’oranger!”
„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....”
„Sjtt.... straks!”
En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge meisje de laatste vraag van Van Nerekool:
„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....”
Het lieve kind aarzelde.
„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles mededeelen.”
„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”
„Een weinig geluisterd?”
Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare oortjes.
„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel, hetwelk de deur maskeert, en....”
„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”
„En, toen heb ik alles gehoord....!”
„Alles, wat?”
„Wat zij verteld hebben....”
„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”
„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”
„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”
„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....”
„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag u dat af.”
„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”
„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal worden. Wees openhartig met mij.”
„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het is zoo moeielijk.”
„Waarin bestaat die moeielijkheid?”
„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.”
En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille van het meisje te bekorten.
„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat schip genoemd?”
„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets dergelijks.”
„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar met nadruk. „Bedenk u wel.”
„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”
Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht aan zijne lippen ontgleed.
„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.
„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?”
„Neen.”
„Aan Lim Ho!”
„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.
„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.
Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig prevelde:
„Ach God! Ach God!”
„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, „laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”
„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn vader?”....
„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”
„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die zaak gecompromitteerd worden?”
„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij ongemoeid blijft. Wees gerust.”
„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”
„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap nemen.”
Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige oogenblikken later het kaartspel geëindigd was.
„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.
Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na te turen.
„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.
Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.
„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.
„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”
„Vergist, waarmede?”
„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij Ardjan gevonden was.”
„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” (gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”
„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht.
VI.
EEN ECHTPAAR.
Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen met zaken, welke het opiummonopolie gelden.
Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat nog wel van eene vrij belangrijke partij.
„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de strekking niet begrijp.”
„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.
„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden afgedaan.”
„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke organisatie.”
„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”
„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt, de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.”” [38]
Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met doordringenden blik aan.
„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere meening voor.”
„En die is?”
„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid heb gevraagd?”
„Ja. Maar, wat zou dat?”
„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.”
„Welnu?”
„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”
„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den landraad te presideeren.”
Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.
„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij, alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....”
„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de afdoening der landraadzaken belasten.”
„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den landraad kan optreden.”
„Welnu?”
„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.”
„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”
„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.” [40]
„Maar, dat is afschuwelijk!”
„Zeker is het dat.”
„En wat hebt gij gedaan?”
„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien dagen voor komen.”
Dat zou zij niet.
Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het onverwachts een bezoek.
Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op bezoeken gesteld is.
Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht, en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den „sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.
„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de opiumpachter) vroeg hij.
„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.
„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) luidde het bevel.
„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”
„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...”
En een anderen oppasser wenkende:
„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval hij.
De schoone Laurentia trok de schouders op:
„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!”
„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”
„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”
„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den beer aan John Pryce...”
Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).
„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?”
Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te hebben de oude vrouw derwaarts te brengen.