Part 6
„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten.... En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef niet afsteekt.”
Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan op aanwijzing van Dalima gevonden had.
Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd.
Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren, de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters, de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering en inslag van het samenzijn.
Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant, die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel (Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden.
Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een andere dienst zou opgedragen worden.
Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op.
„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.”
Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk, eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten.
„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident.
„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer met gekruiste knieën zat.
„Ook het dèsavolk?”
„Engèh (ja) Kandjeng toean.”
Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat genoeg leesbaar.
„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen meegebracht?” vroeg hij verder.
„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken bij den assistent-resident van politie afgegeven.”
„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden.
„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet begreep.
Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord verbaasd te zijn.
„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek dadelijk bij mij te komen.”
De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek algemeen.
Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt.
Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.
„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.”
„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!”
En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij den Javaan teruggevonden had.
„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij.
„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna.
„Lim Ho,” antwoordde Dalima.
„Lim Ho? Hoe kwam die daar?”
„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.”
„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?”
„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.”
„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?”
„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O, Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.”
„En waar is Ardjan nu?”
„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij den assistent-resident van politie geweest zijn.”
„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?”
„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium afgegeven,” antwoordde Dalima.
„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?”
„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.”
„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?”
„Ja, Na!”
Het blanke meisje dacht een oogenblik na.
„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij binnen’smonds.
En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare gedachten te verzamelen, vroeg zij:
„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip verliet?”
„Ja, Nana!”
„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.”
„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.”
Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe:
„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?”
„Zeker, Nana!”
„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....”
„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is zoo ver. En het is reeds zoo laat.”
„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” (dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!”
Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om de boodschap der nonna uit te voeren.
Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die zij ontwikkelen konden, ontvangen.
„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried.
„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier.
„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd hebben, om...”
„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest zorgt mijn chef van den staf.”
„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. „Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia in dien zin eene mededeeling ontvangen.”
„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had kunnen nemen.”
„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg mevrouw Van Gulpendam deelnemend.
„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.”
„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam.
„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters zijn.”
„Jawel, jawel; maar ga voort.”
„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch flink toegepaste urticatie te doen had.”
„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw.
„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink toegepaste geeseling met karbouwbladeren.”
„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?”
„Juist, resident.”
„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een tienmijls vaart!”
„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.”
„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, overste?” vroeg de resident.
„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren, alvorens die man weer op de been zal zijn.”
„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam.
„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.”
„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?”
„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.”
„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?”
„Neen, resident.”
„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?”
„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij belang in den lijder?”
„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.”
Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak hij tot den huisheer:
„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap dadelijk bij u te komen.”
„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.”
De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij.
„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke opium-aanhaling gedaan, nietwaar?”
„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.”
„Zoo, nog al aardig,” meende de resident.
„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan.
„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?”
„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts 15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.”
„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den assistent-resident. „Maar is het wel opium?”
„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. „Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is zuiver Bengaalsch product.”
„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige stellen?”
„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent morphium [35] bevat.”
„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en blikken, nietwaar?”
„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij weet wie....”
„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?”
„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala oppas.”
„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem.
Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen.
„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den assistent-resident.
„Ja, resident.”
„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?”
„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....”
„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op strengen toon.
„Engèh Kandjèng toean!”
„Hoort gij het, mijnheer Meidema?”
„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat.
„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.”
„Maar, resident....”
„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te vervullen.”
„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?”
„Dank u.”
Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand.
„Vole déclarée, schoppen!” riep zij.
„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.”
V.
IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ.
Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren.
Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf, zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat wellicht ontsluieren.
„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid vernemen?”
„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo aanminnig mogelijk antwoordde:
„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”
„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het haast noemen, fâcheux troisième.”
Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie hij zocht. Zich tot de heeren wendende:
„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere tafeltje.
„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”
„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld en gewonnen!”
„Een vole, mevrouw?”
„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.”
„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”
„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen door met twee troeven...”
„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En.... waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....”
„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af.
De aangesprokene keerde zich met drift om.
„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. „Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....”
„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes.
„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”
„Neen, de kokkie deed dat.”
„En de thee?”
„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”
„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”
„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.
„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik u bidden mag, een kop thee.”
„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.
„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”
„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige quatre-mains van Ludovic met mij speelt...”
Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.
„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, kolonel?”
„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had.
„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!”