Baboe Dalima

Part 56

Chapter 561,775 wordsPublic domain

[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus.

[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes worden op dunne stokjes bevestigd.

[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.

[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de Chineezen rattenooren verorberen.

[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen en veelvuldig in den handel gebracht.

[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië verworven heeft.

[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan de voet van de eerst aangehaalde bladz.

[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145. De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele litteratuur niet zielverheffend is.

[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin, waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.

[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden, waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197), luidt:

„De verpachting wordt gehouden:

„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident van Batavia, ter hoofdplaats Batavia;

„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang;

„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van Gewestelijk Bestuur.”

[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking meer gewild dan de centen.

[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer bladzijden voor zich liggen.

[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw Agatha van Bemmelen.

[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera, crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben.

[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en bereikt eene hoogte van 2580 voet.

[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.

[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den grond uit.

[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886 geraamd op ƒ 174.000.

[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort, waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer twee duim middellijn hebben.

[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt, dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.

[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853, bladz. 304.

[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden. Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren.

[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft. Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding, om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op te zweepen.

[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz. 238.

[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ Oosterlengte van Greenwich.

[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen doorgeslagen wordt.

[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden gebruikt.

[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam.

[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt wordt.

[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta naar Tjifatjap was in aanleg.

[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den dood.

[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel.

[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.

[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.

[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch riet genoemd en munt uit door suikergehalte.

[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren. Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!

[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens de dood hem uit zijn lijden verlost.

[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van het eerste deel.

[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng.

[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op 7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is.

[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt daarmede zeer weinig.

[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van Gulpendam.

[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene hoogte van 10.385 voet.

[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste deel.