Baboe Dalima

Part 55

Chapter 553,678 wordsPublic domain

[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent.

[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden.

[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283 van het eerste deel.

[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene zeer gewilde lekkernij.

[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga saccharifera.

[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.

[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht maar met sterken geur.

[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer.

[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank in de heldervolle a over.

[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover niet oude getrouwde vrouwen bezigen.

[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot degelijke werklieden gevormd kunnen worden.

[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.

[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de Chavica bettle.

[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot.

[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van het eerste deel.

[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden.

Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000 dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het katie 708,000 Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000 In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No. 229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000 ========= totaal uitgaven 2,604,000

Transport uitgaven 2,604,000 Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts 11800 katies tjandoe verkregen werden. Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200 ========= zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200

Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te doen is.

De quaestie verandert evenwel, wanneer de sluikhandel in het spel komt. Een der meest bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600 kisten opium, die hen van gouvernementswege verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900 katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600 tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87, die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777; waarbij te voegen om te zuiveren en te prepareeren 6,000; 169,777 ========= zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823

En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond te kijken.

Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen, dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.

[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.

[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël heeft 100 mata’s.

[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:

„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”

Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47 van het eerste deel.

[210] Mata beteekent eigenlijk oog.

[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.

[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78 van het eerste deel.

[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.

Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.

[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!

[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich begrijpen.

[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter serment.

[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor, kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, drie kapiteins- en tien luitenants-titulair.

[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening No. 2 aangehaald op bladz. 149.

[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.

[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.

[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande.

[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt. Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de kolonisten uit hun vaderland medegebracht.

[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter afwering van het schelle daglicht.

[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page, photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan hebben verrijkt.

[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.

[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in die gewoonte?

[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà le débat oral devenu inutile.”

[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel.

[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen spreken, welke toch waarborgen van succes geven.

[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de oppervlakte der zee.

[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan, de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de Zuidkust van Java.

[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren.

[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank.

[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie heggen en heeft zeer welriekende bladeren.

[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders, waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.

[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie bruine kleur oplevert.

[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte goed gebracht werden.

[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa.

[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der tinten zacht, minder scherp te maken.

[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.

[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen. Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot.

[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.

[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt vereischte.

[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken. Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het geknetter van het geweervuur laat vernemen.

[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen in den echtelijken staat.

[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd. Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.

„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000 opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen, volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk.

„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.”

[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden. Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien.

[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad.

[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de Chineezen de eereplaats.

[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J. J. M. de Groot op bladz. 68.

[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op bladz. 45.)