Baboe Dalima

Part 54

Chapter 543,668 wordsPublic domain

[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch gekookt.

[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche peper.

[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.

[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort, die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum baccatum) verkregen wordt.

[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.

[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan van hertenvleesch.

[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes geregen.

[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.

[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep beteekent gerookt.

[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is.

[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859 bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.

[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der aanteekeningen.

[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned. Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:

„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot dusverre geene onverschillige zaak is geweest.”

Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.

[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.... Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de inlassching in mijne romantische schets noodig was.

[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring over te brengen.

[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard.

[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.

[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan.

[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.

[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en Madoera opgedragen.

[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s, receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten dan binnen.

[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.

[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.

[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des ours gewaagde.

[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C. Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.

[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië geboren zijn.

[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het eerste deel.

[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd worden.

[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder.

[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken, lakkel maken.

[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de brochure:

Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik gaarne.

[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura (Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als volgt:

„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. 22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl. regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:

a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7​; b) aan den aanhaler of de aanhalers 2⁄7​; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7​; blijvende... enz.”

[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.

[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.

[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5 (Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No 106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de assistent-residenten voor de politie.

[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij uitnemendheid.

[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. M. de Groot.

[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van het Arabische sjachbat = vriend.

[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt:

„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren.

„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid buiten den ketting van gelijke duur.”

Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.

Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook toegepast wordt.

Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!

[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en brandstichting daarbij niet zelden voorkomen.

[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de belangrijkheid van hunne perceptiën.

[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ 3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend slechts ƒ 13,87 per katie.

[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).

[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien kommandant geopend worden.

[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op 1900 voet boven de oppervlakte der zee.

[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene hoogte van 1252 voet.

[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e deel.

[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.

[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.

[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”

’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?

[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)

[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?

[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.

[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!

[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.

[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:

„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”

Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is.

[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van het Zuiden.

[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid.

[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare Europeesche geslachtsgenooten.

[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam duidelijk zullen zijn.

[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is.

[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.

[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen (Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 M. of 1⅙ paal geschat kan worden.