Part 53
[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de voornaamsten zijn.
[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten. De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.
[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata.
[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal, Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.
[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand bestendigd werd.
[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden, „door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”
Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov. 1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door haar zelve geschied is?
[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz.
[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni plaats, in de bergstreken later.
[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115.
[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg overbodig is.
[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche hoofden plaats.
[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis, die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij Pteropus edulis geheeten.
[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een paar kamertjes bespeeld worden.
[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.
[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische legenden aanschouwelijk gemaakt.
[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste soort.
[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten. „Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche moeite worden gemaakt.”
Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel overdreven mag heeten.
[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag. Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan worden.
[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van een katie, of het 0,368 van een milligram.
[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor 1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.
[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te gronde richtte.”
[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen. Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in grachten, slooten, enz. gevonden.
[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald.
[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.
[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier bevelen te zorgen heeft.”
[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de geleerden Canarium commune geheeten.
[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren. Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend.
[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.
[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn.
[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia.
[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in het haar gedragen worden.
[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de hoofdplaats Makassar.
[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer volmaakt op dit gebied uit te denken is.
[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica.
[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede Acacia tomentosa.
[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur.
[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven toestand van verwaarloozing verkeerden.
[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen. De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en Nederland plukt er de vruchten van.
[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag, hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.
[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming.
[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld.
[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een scheldnaam.
[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende.
[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren.
[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers met graagte genuttigd.
[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera foetida geheeten.
[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.
[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren.
[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.
[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea.
[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van N.-I. XXXVste Deel.
[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.
[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.
[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212 aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen.
[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar.
[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz. reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. 162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”
[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd.
[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen. Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt. In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche Vertegenwoordiging!
[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik aanbevelen.
[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt, leert de noot op de vorige bladzijde.
[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk, aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. September 1884 No. 1.
[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872 (Ind. Stbl. No 170).
[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij! Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel, maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.
[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in Noord-Oost-Celebes maakt.
[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.
[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene verliest, wat hij reeds erlangd heeft.
[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen, wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.
[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde genoemde Eclypta erecta.
[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.
[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona Grandis.
[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis geheeten.
[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren.
[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam.
[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten, die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.
[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera.
[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren.
[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te bevestigen.
[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang” genaamd, gaar wordt gestoomd.
[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten. Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.