Baboe Dalima

Part 52

Chapter 523,645 wordsPublic domain

„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet meer te willen ontvluchten?”

Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar onmogelijk een woord te kunnen uiten.

„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”....

Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep die hand, hij drukte er een innigen kus op.

„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier weg!”

Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.

„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”

Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en bood haar dat aan.

De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.

„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was.

De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den djoekoeng glijden.

Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met jachtgeweren gewapend waren.

Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude zijn.

Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky.

„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht geslaagd?”

„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.

„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”

„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293] gevangen.”

„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het lijf.”

Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan het kapelletje dat opgespoord was.

Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat [294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de jonggetrouwden omgaf.

Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht! Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan zoude het opiumverbruik wel verminderen.

En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten, doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd. Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat voornemen stipt getrouw zou blijven.

AANTEEKENINGEN

[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het jaar 1886.

[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R. Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.

[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die microscopisch klein zijn.

[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer fraai en uitmuntend timmerhout op.

[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden.

[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.”

[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren. Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van wege hunne kronkelingen genoemd.

[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt.

[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het gevaar althans is dan verdwenen.

[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.

[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.

[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot de dood er op volgt.

[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten.

[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.

[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild botermerk in Ned.-Indië.

[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G.

[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is.

[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen zeer gewild zijn.

[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn.

In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor model van haar romantisch zusje gediend.

[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: „Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”

[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor politie-agenten.

[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen. Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den hoogst mogelijken graad van woede opgezweept.

[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de scherpte van de steenkalk.

[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.

[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde plek van het huis.

[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa der geleerden.

[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de Platydactylus guttatus.

[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca maakt.

[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden. Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.

[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens, kris, lans, enz. zijner voorouders.

[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen kan.

[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk bladz. 267.

[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie.

[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag.

Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.:

„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang het belang der pachters medebrengt het te behouden.”

[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F. Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C. Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.

[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.

[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur, en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa (Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen) toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of assistent-residenten als voorzitters der landraden op.

[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196.

[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal.

[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, 16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van 1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.

[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de wandelingen.

[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium uitmaakt.

[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J. den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden en G. Kolff & Co., te Batavia.

[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40 hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen. De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.

[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een sterk werkend aphrodisiacon gehouden.

[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 meter.