Baboe Dalima

Part 51

Chapter 513,864 wordsPublic domain

Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te brengen.

Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot, welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde steeds... daalde... daalde nog meer.

„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar.

Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder, die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht, dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de handen losliet en in de diepte neerstortte.

„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.

Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom, die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd werd.

Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen op hunne nesten.

Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen.

„Wat nu?” riep de een.

„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.

Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij dat vernomen had, riep zij:

„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!”

En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, af.

En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.

De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten?

„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de grot brengt!”

De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek achter het oor.

„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.

Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen hen volgden.

„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak Grenits aanmoedigend tot hen.

„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” (pagaaien) gerept!”

De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes schepbladen snel vooruit.

Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden, rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. Zij scheen op schuim te dansen.

De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde.

„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg.

De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging.

„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij zelf zijn werktuig te water sloeg.

Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover, vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend wit schuim.

„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.

En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven....

„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne inspanningen verdubbelde.

Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op, die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar.

Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen.

Wat vond inmiddels daar binnen plaats?

Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok, waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen tot bij de opening en eenmaal op de ladder...

„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”

Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar doorleefde.

Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen.

Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen. Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.

Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.

Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren, alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te schrijden.

„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!”

Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat. Met een kreet voer zij op.

„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.

Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.

„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog onstuimig.”

„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...”

En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.

„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”

Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden. De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.

„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring.

Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat met honderden kussen.

„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”

„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.”

„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.

Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. Althans met weemoedige stembuiging hernam zij:

„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?... gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.”

De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen hield.

„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet kunnen worden?” vroeg hij met aandrang.

„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen uitvoerig... Laat mij nu los!”

Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter niet.

„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij.

„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.

„Nu uw vader en moeder d...”

„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het laatste woord nog uitgesproken had.

Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing.

„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik gelooven?”

„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, Anna?”

Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op haar gemaakt had.

„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.”

„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar herwaarts reisde....

„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”

„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar Soeka maniesan?”

„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij.

„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het overlijden, een telegram...”

En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide, had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.

Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het gebeurde ongedaan maken.

Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog, pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.

„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. „Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.”

Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af.

„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar bengelt, spoedig bereikt.”

Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan.