Part 50
In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho, hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren.
„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, wijzende.
„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.
Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk het bevel:
„En, nu er op los!”
Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam van pijn weg.
De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen; daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne beulen verteederen.
„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.
Op dat gehuil klonk tot antwoord:
„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”
En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen:
„Meidema! Meidema!”
„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.
Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden, om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen. Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”
De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden, waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen kroonden, her- en derwaarts vlogen.
Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam nog eens de oogen.
„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”
De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.
De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige minuten de wateren der Java-zee toevoerde.
En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top, voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen.
XLII.
NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT.
„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen.
In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar niets meer te bespeuren.
„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.
Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den kant, van waar zij kwamen.
Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig hadden.
„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal.
Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: Anna! Anna! scherp liet hooren.
Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden, werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen op eene geduchte proef stelde.
Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien konden.
Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.
„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! Vooruit!”
Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, waartegen hij brak, toebracht.
„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.
„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.
„Maar, waarheen, Nana?”
„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger zuidwaarts wees.
„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.
„Ja, daar moeten wij zijn!”
„Maar, wat wilt ge daar?”
„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”
„Daar eene schuilplaats, Nana?”
„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”
„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de naakte rots?”
„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.
„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht nemen?”
Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel, en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten, hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin, terwijl zij prevelde:
„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).
Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.
Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.
„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een toevlucht zoeken.”
En andermaal noordwaarts kijkende.
„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”
Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil, scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende, met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en niet verder!
Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle, rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.
„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer ver!”
En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de „invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo en cornet à piston gebracht:
„Un jour l’âme ravie, Je vous vis si jolie, Que je vous crus sortie Du céleste séjour. Etait-ce donc un ange, une femme, Qui venait d’embraser mon âme? Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour, Je sais que j’âime d’un pur amour!”
Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:
„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:
„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt.”
Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen.
„Een verwoest leven!” zuchtte zij.
Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.
„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).
En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar naar de zee afdaalde, naar beneden.
„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat gij doen?”
Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit. Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was, welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde, kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien natuurlijken muur naar beneden voerde.
„Nana!... Nana!...” kreet zij.
Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen.
„Nana!... Nana!...”
Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden...
„Nana!... Nana!...”
Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg!
Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof.
„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals.
Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van Nerekool stond naast haar.
„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar is nonna Anna!”
„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte.
„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.
Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, dat die twee hem bij de beenen grepen.
„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet.
„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon.
Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292] behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het meisje opspatte als naar eene wisse prooi.
Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.
„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal.
Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder naar beneden.
Van Nerekool sprong op.
„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.
En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat daar beneden hen gebeurde.