Baboe Dalima

Part 5

Chapter 53,778 wordsPublic domain

Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang” (wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was. Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog altijd onafgebroken op en neer ging.

„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht hare lippen ontvlood.

Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met een lichten gil.

Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong, die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen, waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken.

„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest.

„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.

Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n treurige vermaardheid kreeg.

Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding zitten bleef.

„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van daan? O, mama is zoo boos op u.”

„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”

„Door wien?”

„Door lieden van Lim Ho.”

„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht geweest?”

„Ja.”

„Den geheelen nacht?”

„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...”

„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de meisjes schrikken deed.

Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten drogen.

Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind, de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren. Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.

Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven, of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.

Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen schieten.

Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan. Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij, wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.

Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van baboe Dalima gramstorig uitriep:

„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” (vrijer).”

„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik ben niet weggeloopen.”

„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”

„Ik werd ontvoerd.”

„Door wien?”

„Door vreemde Chineezen.”

„Hoe heeft zich dat toegedragen?”

Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op Billiton bevond.

„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die schaking.

„Aan boord van een groot schip.”

„Van wie was dat schip?”

„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”...

„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang Bing, den opiumpachter?”

„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna Anna gehurkt zat, bedeesd.

Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare oogen een bizonder vuur vertoonden.

„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.

Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg Laurentia haastig en met hijgenden boezem:

„En?”....

O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.

„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.

„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak, terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik begrijpen, alvorens....”

Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak, die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam zich niet aan het opiumschuiven overgaf.

„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos aangestaard te hebben.

„Niets,” was het rustige antwoord.

„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een vaartuig gelokt hebben, om....”

„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het meisje snel in.

„Gered!... Gered!... Door wien?”

„Door Ardjan!”

„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!... Gulpendaaam!!...”

Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in den waan dat er onraad was.

„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel.

„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het meisje op langgerekten toon.

„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”

IV.

DE DRADEN VERWIKKELEN.

De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te zijn.

Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk.

„Gulpendam!.... Gulpendaaam!”

Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog.

„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!.... Gauw!)

Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben.

Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in het oor:

„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil hier!”

En tot den oppasser klonk nog barscher:

„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!)

Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed dezen verdwijnen.

„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte schepsel geweest is.”

„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten vallen.”

„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door geweest!”

„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch verstond, om geen woord te verliezen.

„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’ adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!”

Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap. [34]

„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift.

„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte meid.”

„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. „Ampooon, njaa!”

„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen toon.

„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen genomen! Kassian!” (heb medelijden).

„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?”

„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend.

„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?”

„Bij de Moeara Tjatjing toean!”

„Hoe kwam hij daar?”

„Hij was met mij ontvlucht!”...

„Hoort ge wel?” gilde mevrouw.

„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan.

„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!”

„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.”

Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles aangehoord.

„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de resident.

„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” (draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik dan niet ontkomen zijn.”

„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk.

„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.”

„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam.

„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij schamper.

„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids verstrekken.”

„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw.

„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot helderheid te brengen.”

En zich tot den oppasser wendende:

„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. En nu ga, neem Dalima mede.”

Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde hij tot zijne vrouw:

„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke pipa moeten over de brug komen.”

Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten.

„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn, zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?”

„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en prachtige japonnen niet bizonder hecht...”

„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.”

Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia:

„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, nietwaar?”

„Maar, dat wegloopen van Dalima?....”