Baboe Dalima

Part 49

Chapter 493,782 wordsPublic domain

Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht. Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen, die de gasten huiswaarts moesten brengen.

Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien sluipen.

„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene niet ongewone gebeurtenis was.

„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een gebaar weigerde.

Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt, strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen „dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen, en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen werd.

Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden, deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te omzwachtelen, zeide:

„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”

„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.

„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”

Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van Van Gulpendam gestoken.

„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.

Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen.

„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.

Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.

Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, werden de andere paarden bestegen en voort ging het.

„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.

„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.

Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte, begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek te weêrklinken.

Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag bekroond werd.

Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was.

Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van pornografische strekking, versierd waren. [287]

In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en weggevoerd.

Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht, het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte, waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt, zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden. En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen waarnemen.

Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed, of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen, buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben:

„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”

Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.

Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie, door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.

Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was, hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven.

Wat was er met hem gebeurd?

„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.

En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen. Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.

Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder, een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van trotsche hooghartigheid:

„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”

„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die van gemaakte onderdanigheid getuigde.

„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen residents-rok bengelde.

„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah ten teeken van eerbied maakten.

„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar op het hoofd gekrenkt wordt!”

Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren weer stom.

„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, „zult gij beiden dood zijn.”

„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.

„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou vreeselijk gewroken worden!”

„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. „Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;... daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in handen krijgt.”

„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.

„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”

Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te moeten spreken.

„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik gedaan?”

„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen! Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang hebben!”

„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne vrouw...?”

„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de aanvoerder zich tot een van zijn gevolg.

„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.

„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar bloed!”

„Die gil, dien ik dus gehoord heb....”

„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan, ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen aangedaan hebt!”

„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij weten te wreken!”

„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”

„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie zijt gij?”

„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!”

In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het gelaat af.

„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte voor de beide gevangenen ophief.

„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.

„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.

Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De te vereffenen rekening was verschrikkelijk.

„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen.

„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk” (domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?”

Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen biggelden:

„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....”

„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!”

Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.

„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...”

Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.

„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de „hoekoem madoe” [288] toegedacht...”

Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.

„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.

„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. „Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de „hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed, die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat ik wreeder ben dan gij waart.”

„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.

„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar beneden!”