Part 48
„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”
De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen.
Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij:
„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien, daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”
„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal ze wel wapenen.”
„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!”
„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet ongeloofwaardig voor.”
„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.
„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders spreken.”
Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid vernomen werd?
„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. „Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt gij aan?
„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.
Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen.
„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar vertrekken voor ons klaar.”
„En gij brengt eenige oppassers mede?”
„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?”
Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).
Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen te gaan uitblazen.
En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in het rijtuig zat.
„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot zijne wederhelft gezegd.
Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere, waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.
Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en spottend:
„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit stuiven.”
„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene residentsdochter meer.”
Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, liet zij er met een glimlach op volgen:
„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”
„Op wie anders, Nana?”
„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, Dalima.”
„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.
„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”
„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts oogen voor u.”
„Neen, voor u, Dalima!”
„Neen, voor u, Nana!”
Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, wie harer dan het laatste woord behield.
„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.
„Wat bedoelt ge, Nana?”
„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”
„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” (stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.”
„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, zou ik meenen.”
„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”
„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”
„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”
„Een blanke, Dalima?”
„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en heeft daar bij den loerah overnacht.”
„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.
„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe” (kapellenvangen) Poeah. [280]”
„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”
„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke richting.”
„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”
„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”
Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd:
„Zijt gij boos op mij, Nana?”
„Neen, Dalima.”
„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”
„Ik zou wel willen verhuizen.”
„Verhuizen?”
„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen nemen.
„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.
„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam Anna met een zucht.
„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”
„En Ardjan dan?”
Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.
„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” (verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.”
Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr:
„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het spoor was...?”
„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen vluchten!”
„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.
„Zwijg, Dalima!”
„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...? Nu?”
„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem denk.”
„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?”
„Zwijg, Dalima!”
„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”
„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander toebehooren!”
Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In hare oogen was te lezen:
„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig maken zij zich het leven toch.”
Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest, en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij den loerah genomen hadden.
„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.
„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en de residentsdochter met den naam Nana aansprak.
„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.
„Neen,” was het antwoord.
„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”
„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich. Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”
„Hebt gij niets anders gehoord?”
„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....”
Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn treden, en heênvluchten.
„Daar is zij!” riep Murowsky.
„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.
Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra achter de rotsen verdwenen.
Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen.
Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen. Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende, wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts een kreet in den mond:
„Voort! Theodoor, voort!”
Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te leggen.
„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle succes.”
Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze greep het papier.
„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.
„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.”
Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.
„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit.
„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden.
„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las de dokter voor.
Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde.
„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.
„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden.
„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel geschikt om ons te doen ontstellen.”
De dame knikte toestemmend.
„Het is ontzettend!” prevelde zij.
„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”
„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”
„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen bekomen?”
„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”
„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”
„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de Steenvlaks vindt het een goeden stal.”
En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.
„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek van Van Nerekool naar Karang Anjer.
„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar treft, voorbereid worden.”
Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te doen.
„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?”
Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.
Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De assistent-resident had ook een telegram ontvangen.
XLI.
DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING.
De noodlottige tijding was maar al te waar!
Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.
Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde, dat er wel armoede heerschte.
„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de resident gevraagd.
Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam:
„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”
„O, ja, Kandjeng toean.”
„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan waarop gerekend werd?”
„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” (schuur) kunnen binnenbrengen.”
„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”
„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met een zucht.
Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht:
„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”
Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek.
„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het hoofdgebouw zijn klaar.”
„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.”
Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen, dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten de echtelingen een heerlijke rust.
De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van Gulpendam wel opgedaan te hebben.