Part 47
Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.
Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging, verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de detailprijzen van het vergift in evenredigheid.
„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht gesproken werd.
Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk.
Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.
Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen dag, dien zij beleefden, bewust waren.
De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.
Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst, terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was.
Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho, die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen landaard met een uitvorschenden blik monsterden.
Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd, ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.
Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw waardigheidsemblema prijkte.
Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is.
Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden bleven.
Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden, om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.
„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,” betuigde zij.
De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen, terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt waren.
„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een viertal bedienden.
De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken, dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.
„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op.
„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.
In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.
„Isi glas lagie!” beval zij.
En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de champagneflesschen rondliepen om in te schenken.
Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.
„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; vindt ge niet?”
Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en gegalonneerde landsdienaren naar binnen.
„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de bedienden:
„Lakas, kassie glas sama toean toean!”
Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte te werpen.
„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh saja takoet” (maar ik vrees).
„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.
„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”
„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het pachtcontract opgenomen zijn.”
„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...”
Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een der bedienden was aangereikt.
„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen.
„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van politie.
„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.
Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der babah’s wonderlijk zonderling te kijken.
Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door de lucht.
„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”
Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.
„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract voorlezen,” sprak de resident plechtig.
Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen.
Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:
„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?”
„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.
„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.
„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.
„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.
Er had eene poos verademing plaats.
„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam kalm en afgemeten.
„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van de tafel hield.
Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.
„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd mengende.
„Vijftien honderd duizend!”
Het gevecht was in vollen gang.
„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.
Andermaal trad eene stilte in.
„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.
De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen toe. Het was toch ook zoo snikheet.
„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.
In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid naar binnen.
„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.
„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.
Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan, onafgebroken aangeboden of gevuld werden.
„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.
„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent van Lim Yang Bing.
„Achttien honderd duizend!” riep deze.
Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot riposteeren aan te moedigen.
„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.
„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.
De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel met een schier onhoorbare stem uit te brengen:
„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”
„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.
Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem achteruit en beletten hem te spreken.
„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.”
Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de glazen... Maar niets, niets meer hielp.
„Twee millioen guldens... eenmaal!....”
„Twee millioen guldens... tweemaal!....”
„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen guldens... driemaal!”
Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.
„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!”
Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting. Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.... Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte.
Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: „Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag.
Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en prevelde:
„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”
Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend aan.
„Gij nog hier?” vroeg hij.
Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren zwoegenden boezem.
„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”
„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet ondankbaar zal wezen.”
XL.
HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM.
Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z. M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.
Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst toegeschreven worden.
Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren, waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh tegenwoordig moest wezen, en ook was.
Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het „virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap lint.
„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten uitwaaien.”
Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.
De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.
Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.
Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren, hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen was.
Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.
Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.
„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.