Part 46
„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....”
„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God betere het!”
„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.
„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel, vrienden, is....de opium!
„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder 1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs amfioen.
„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders, iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps, ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang amfioen.
„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel verdere strekking. Vrienden, leest maar verder:
„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk: [275]
„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand, die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.”
„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 kedawangs verstrekt.”
„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt 76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.
„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum zooveel mogelijk op te zweepen.
„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te vertellen...”
„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.
„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn.
„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, meende Van Beneden.
„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen kijken goed uit hun oogen.”
„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun oogen.”
„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.”
„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het allerinteressantste komt eerst aan.”
Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van Nerekool vergezeld.
„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.
„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”
„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).
Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor.
XXXIX.
MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH.
„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.
„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den vorm eener ineengedrongene evoluta....
„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling, waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes, die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit bontkleurig katoen....”
Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders was.
„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.
Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.
„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik, dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert maar.”
Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van Rheijn vervolgde:
„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam; maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort, thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana, eene godin, te bespieden.
„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was, waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot struik.....”
Allen schreeuwden het uit van lachen.
„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden toesluipen!” grinnikte Grenits.
„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn.
„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je wel, Karel?”
„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast je maar.”
„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte, zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van een uwer op zijne wangen te jagen...”
Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.
„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te hebben.
„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong, die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende omstandigheden verkeerde....”
Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond te kijken.
„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.
„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; want ik meende dat gelaat te herkennen.
„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord, noodig zijn.
„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken.
„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:
„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis terugkeeren, baboe).
„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” vroeg Grashuis.
„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is nabij.
„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond, kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en....
„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug, de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op... Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat, hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden, waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen:
„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van het huisje verdwijnen.
„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk, gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare bewoonsters onzichtbaar was.
„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....”
„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij opgewonden op en neer liep.
„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden.
„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...”
„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.
„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?”
„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te verlaten.”
„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt. In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats verwijderen.”
„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag om verlof schrijven.”
„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne hand. Ik vergezel u bij dien tocht.”
De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen werden.
Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet verkrijgen.
Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling vereischen.
Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren 18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen, waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken, zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.