Baboe Dalima

Part 45

Chapter 453,759 wordsPublic domain

„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is zwaar.”

Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een paar seconden, alvorens hij antwoordde:

„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik vooral de blanken op het oog had....”

„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van Rheijn diepbewogen.

„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie hier, wat die nota ongeveer inhield:

„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen 25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen kosten een.

„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in den regel bij den duivel te biecht.

„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?”

„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen, dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...”

„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.”

„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik mededeelde....”

„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te vertellen had?”

„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”

„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.”

„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.”

„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.

„Van Murowsky, onzen dokter?”

„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”

„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn geheel voorlezen.”

„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”

„Komt er iets over kapellen in voor?”

„Ja.”

„En over kevers en slangen?”

„Misschien ook.”

„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), geen dekschild, geen...”

„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen glimlachend. „Luistert maar:

„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep, wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....”

„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. „Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een plaatsje bezorgen.”

„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. „Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.”

„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters, in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen, in het Duitsch, in het Poolsch....”

„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.

„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....”

De vrienden schaterden het uit.

„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”

„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, „eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar bakkesje wel zien.”

„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen had.

„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten, stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie wilde aandoen, totaal genezen.”

„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor je Karel!”

„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de coleoptera....”

„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, is onvergeeflijk.”

„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was. Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan den entomologischen hartstocht te mogen wijden.

„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.”

„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde. Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen over.

„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou parelen voor de zwijnen geworpen zijn....”

„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert niet door beleefdheidsvormen.”

„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos. Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen.

„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”

„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”

„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan onuitstaanbaar pedant zijn.”

„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat mij voortgaan:”

„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen, om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders „manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...”

„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, „daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen weet, wat ons nog te wachten staat!”

„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:

„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval, dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa, die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...”

„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers zouden zij daaraan vinden?”

„Laat mij voortgaan.”

„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan. Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan die nestjes verleent....”

„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te drijven.”

„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” heeft in December plaats.

„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots, waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.

„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.

„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:

„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.

„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen verbrijzeld worden of ellendig verdrinken.

„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken [272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...”

„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes hebben.”

„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept. Het is bij God schandelijk!”

„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.

„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal dan ook beantwoord worden.”

„Welnu, vervolg!”