Part 44
„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.” Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming, geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen.”
„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.
„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op het geen volgen gaat.
„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn. Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop, anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last der Regeering stipt de hand te doen houden.”
„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch Bestuur.
„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.
„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.
„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen. Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt.
„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van ’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt, ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid, gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...””
„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n edelaardig karakter als onze Willem.”
„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden kunnen aanbrengen!”
„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.
„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen, inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...”
„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?”
„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis er aan toe.
„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te benadeelen?”
„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend.
„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen nemen....”
„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!”
„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken, die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme Indië rust?”
Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die overtuiging gevestigd.
„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,... wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven, wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt denken.
„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval was.
„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking van het geheele eiland bezit.”
„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was, [261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och, dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”
„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons als een klontje kandijsuiker!”
„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden. Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.
„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.
„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....”
„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet veel.”
„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.
„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te Santjoemeh....”
„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”
„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.
„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren; want hij was van zestig op tachtig gesprongen.
„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”
„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:
„„Dan sareboe!” (nog één duizend)
„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.
„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner volmacht bereikt. Hij mocht niet verder.
„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot den aarzelende.
„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die voor afslager dienst deed.
„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong Mo toegewezen.
„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?....
„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”
„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit te schieten.
„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de Chineezen volstrekt niet gierig....”
„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.
„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen wij er van avond niet.”
„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.”
„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.
„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....”
„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.”
„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000 ’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”
„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.
„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te krijgen.”
„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.
„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd, een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel, die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt, daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden achterlieten.
„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen zijn.”
„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.”
„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!”
„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten.
„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde er niets meer van weten....”
„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.
„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik verleent.”
„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der Nederlanders!”
„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd opgevoerd worden!”
XXXVIII.
DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG.
Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich, hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den resident Van Gulpendam.
„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van Van Beneden niet verdrongen waren.
Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van Rheijn het gesprek.