Part 43
De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een weinig.
„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”
Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn binnenste zijne praalzucht en snoeverij.
„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was.
„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.
„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit loopende jaar, nietwaar?”
„Ja, njonja.”
„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand plaats hebben, is zoo niet?”
„Ja, njonja.”
„Zijt gij van plan mede te bieden?”
„Ik denk het wel, njonja...”
„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat beteekenen die letters op die lollengs, babah?”
Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken.
„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”
„En op die daar?”
„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.””
Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de vermeende luisteraars.
„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger zult hebben.”
„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.
„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.”
„Die!” mompelde de Chinees onthutst.
„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij hem strak aankeek.
Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast de schoone vrouw voort.
„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met iets schampers in hare stem op.
„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.
„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht innen.”
„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.
„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het monopolie.”
„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om zonder verlies te werken.”
„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte Laurentia spottend op.
„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd... dan...”
„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”
De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en scheen in berekeningen verdiept te zijn.
„Minstens tien,” antwoordde hij.
„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”
Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling daar nog iets bij te voegen.
De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was zelfs geen Shan Sao bestand.
Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. [247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam” (oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens, die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.
De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet brak, en ledigden nu de bekers geheel en al.
„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim Ho is dat niets; maar dat lieve kind....”
„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg Grenits ondeugend.
„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de nabijheid.
„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.
„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.
„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”
De Chinees lachte schalks.
„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.
De omstanders proestten het uit.
„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de algemeene hilariteit deelde.
„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.
De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen tegenover die toornige blikken.
„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te zamen.
Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen elkander bogen.
„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.
„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden knikkend.
„Shut!” klonk het alweer.
„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor fluisterend, maar uitdagend.
Onze advocaat boog verlegen het hoofd.
„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”
„Shut!”
De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.
Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, gevuld waren.
„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.
„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.
„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat „obat” (medicijn)?”
„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur...” [251]
„Shut!” klonk het allerwegen.
Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede, in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?
Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche woorden.
„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen berichtgever.
„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. [252]”
„Maar, wat beteekent die aanhaling?”
„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare huiselijke zaken regelen.””
Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de huwelijksplechtigheid afgeloopen.
Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes, daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.
Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der aanwezigen te ontvangen.
Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te verdrijven.
De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent” genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.
Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen, die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden; gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest beklemmen.
Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het dan ook op bescheidener voet gevierd worden.
Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s” (violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.
Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare, Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255] Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz.
De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien.
Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet!
Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste paren het dansterrein.
„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis heeft gerookt!”
„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk, dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”
De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.
XXXVII.
EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT.
Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.
Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen.
Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote astraallamp over zijne schrijftafel gebogen.
„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.
„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.
„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.
„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels) gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens toeteren en spektakel maken.”
En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het geschut vernomen.
„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits verachtelijk glimlachende op.
„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig, toen gij zoo even binnentraadt...”
„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor.
„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.”
„Van Willem Verstork?”
„Hoe maakt hij het?”
„Is hij welvarend?”
„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”
Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur een goed hart toe.
„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.”
„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet in zijne plaats te zijn.”
„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden.
„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat maar; och, dan was alles nog niet verloren.”
Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den gastheer tot weemoed moest stemmen.
„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”...
„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.
Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet direct op.
„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.
Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat kan mij dat schelen?”
„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....”
„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....”
„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”
„Niets?”
„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”
Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.
„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte nacht!”
Allen keken een poos bedrukt voor zich.
„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending wenschte te geven.
„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. „Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets gezellig voor vriendenkout.”
Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot vertrouwelijkheid verlokte.
„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio, geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:
„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.
En op de toestemmende beweging zijner gasten:
„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,” (Sabieio, geef haantjesbier met ijs).
Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam Van Nerekool:
„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert: