Part 42
„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan aan....”
„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld werd....”
Anna bekeek hare matgele handen.
„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236] (verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.”
„En verder?” vroeg Anna.
„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring toetool verwijderd was, nietwaar?”
„Dat is zoo.”
„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij ziet er dan ook wel vermagerd uit.”
„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai is....”
Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh.
Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in vollen gang.
„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.”
„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg Anna.
En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef. Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet gezonden heeft, om mij op te sporen?”
„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging in hare stem.
„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult maken, dat gij mij gevonden hebt.”
Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen weet waarheen.”
„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te zenden....”
Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare stem.
„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten. Wilt gij?”
Dalima wierp zich weenend in hare armen.
„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij.
„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens en vooral gezegd zijn!”
Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.”
„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...”
„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima... Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?”
Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone oogen.
„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.”
„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?”
„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de dochter van een Kandjeng toean resident?”
„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het geval ware.”
„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. „Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!”
„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen. Dat duurde evenwel slechts kort.
Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide:
„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op dat gebied laten zien.”
Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek) noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.”
„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn mijn lepel en vork.”
Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie vingertjes zien. Dalima zuchtte diep.
„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?”
„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog schriel misschien, uitzuinig.”
„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene „gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een, waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef van hare behendigheid te geven.
„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie bloemen gij verkrijgen zult!”
Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken.
Of dat lang zou duren?
XXXVI.
LIM HO’S HUWELIJK.
Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh, wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht, geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.
Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes, vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde kaart met menigen zoen betaald.
Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!
Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. Integendeel!
Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een optocht naar den Chineeschen tempel.
Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen, [241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden te laten afsmeeken.
Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen, polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren. Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende, eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.
De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het geheel een echt Chineesch relief verleenden.
De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren, en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.
In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels, murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen, terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den heenmarsch te zaam gedrongen had.
Maar den volgenden dag was de groote feestdag.
Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam. Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk soms zoodanig, dat hooren en zien verging.
Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van Krakatoea kinderspel was geweest.
Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de „Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen.
Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen.
Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.
Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245] genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan prijkten.
„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent toch dat gekrabbel op die roode lappen?”
„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de Chinees galant.
„Maar, wat beteekenen zij?”
„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen over deze woning.”
„En de anderen?”
„Dat zijn de vijf zegeningen.”
„En die zijn?”
„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een einde, dat het leven kroont.”
„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij hingen.
Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer fijn geslepen waren.
„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”
„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”
De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om zijne lippen.
„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze kunstwerken meer waardeerdet.”
„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.
„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met de vracht en inkomende rechten...”
„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.
„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. Wil njonja....?”
„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”
„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”
„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”
„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”
„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor tienduizend guldens aan lantaarns!”
Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der kostbaarheden, die hij uitstalde.
„En zie eens die „how-iâ’s.””
De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten.
„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. Is het niet?”
„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”
„Maar, babah.”
„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien haan daar op het altaar?”
„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”
„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd gulden.”
„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”
„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van heden avond kosten?”
„Neen, babah, zeg op.”
„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”
„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw.
„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?”
„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, babah.”
„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.
„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!”
„Toch niet zoo erg, njonja.”
„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”