Baboe Dalima

Part 41

Chapter 413,704 wordsPublic domain

„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld?

„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”

En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed.

Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting vervulde.

Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen over zijne wangen biggelden.

„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit.

„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie, hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”

Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo overviel.

„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van, trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, uw oor niet zal kunnen bereiken!

„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de aanbidders van den opium-afgod verpletteren!

„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten, toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult weergeven.”

Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had, welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend was, tot bedaren te brengen.

Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen!

Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had, poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen indruk die verdaging zoude teweeg brengen.

In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij eenige oplettendheid verworven had.

Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar recht tot antwoord gebruik wenschte te maken.

Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.

„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!”

Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat het heilige boek voorschreef.

„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man heeft gedood, die man moet sterven!”

Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw gevallen,” mompelde men.

De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes” eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd.

Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning. Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De gerechtigheid der blanken is groot!”

Een oogenblik later was de menigte uit elkander.

„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed te krijgen?”

„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen!” [229]

„O, zoo! Nu, dat is leuk!”

De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd had:

„Gij zijt een braaf mensch!”

XXXV.

TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE.

Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa, welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als in een terreinplooi verscholen lag.

De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.

Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.

Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.

Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, waarin.....

Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen, Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe” [233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij groot getal in den wind wapperden.

In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik, om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” (haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.

Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond, duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” (wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht. Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.

„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op.

Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar „tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden, daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen, en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en....

„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat aanschouwd?”

Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:

„Dalima!”

Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander samensmelten:

„Nana!”

„Dalima!”

Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het Javaansche meisje aan het hart drukte.

„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.

„Hoe kwaamt gij daar?”

„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”

„Maar... wat hadt gij daar te maken?”

„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”

„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?”

„Om Nana te zoeken!”

„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?”

Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing toeliet.

„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen, „heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik vertrokken, en...”

„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.

„Neen, Nana, volstrekt niet.”

„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”

„Neen, Nana.”

„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u wel!”

„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”

„Waar?”

„Wel, te Karang Anjer, Nana.”

„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”

„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar gij waart.”

„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”

„Ja, Nana.”

„En?”

„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.”

Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.

„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.