Baboe Dalima

Part 40

Chapter 403,608 wordsPublic domain

Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor:

„Hoe heet gij?” vroeg hij.

De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227]

„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd.

„Waar zijt gij geboren?”

„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”

„Hoe oud zijt gij?”

„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”

„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den griffier.

Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het voorloopig verhoor.

„Waar woont gij?”

„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.

„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”

„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”

„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

„Zeg het ons dan.”

„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik.

Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.

„Stilte!” vermaande de voorzitter.

„Stilte!” brulde de deurwaarder.

„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.

De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak:

„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”

„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.”

De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk maakte.

„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de getuigen verklaard hebben.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij begreep:

„Engèh, Kandjeng toean.”

De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.

„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van Gulpendam.

„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer Thomasz.

„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.

„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.”

„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet zoo aan het lachen brengen.”

„Ik, mevrouw?”

„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een droog komiek zijt.”

„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”

„Staat het praedicaat u niet aan?”

„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”

„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!”

„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste gedeelte der pandoppo.

„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”

„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.

„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”

„En?...”

„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als drie dagen west-mousson.”

„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”

„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....”

„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”

Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en... men verveelde zich doodelijk.

Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.

Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien, die van de aanhangige zaak niets afwisten.

Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje, waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste staande middelen te breidelen.

„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”

Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden. Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen, hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige stem prevelde onhoorbaar zacht:

„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”

Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op, dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie!

Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den deurwaarder.

De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging, gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.

Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed overstroomd werden.

Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp, om toch te zien, wat er gebeurd was.

„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.

Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen dwangarbeid in den ketting.

Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.

„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de „toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?”

De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had. Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:

„Engèh, Kandjeng toean.”

„En hebt gij daar niets op aan te merken?”

Een nieuwe blik op den advocaat.

„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.

Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.

„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.

„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij zich kon doen verstaan.

„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.

„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon.

Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk:

„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te maken.

„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar, neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene onverdeelde aandacht.

„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man, van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.

„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.

„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren, ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr. Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven; dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie beweegt.”

Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed.

„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!... Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.”

„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers:

Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux, Un perfide assassin, un lâche meurtrier!

„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer, een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.

„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?

„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort! Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen, afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de geschriften van Verstork. Luistert:

„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, nauwkeurig doorzocht had.”

„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van Verstork’s schriftuur vervolgen:

„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”

„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets gevonden had! Is dat duidelijk of niet?

„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil.

„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het gegeven? Vraagt u dat af.”

Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”