Baboe Dalima

Part 4

Chapter 43,882 wordsPublic domain

„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.

„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen zeeziek in hunne kooien lagen.

„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij, door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin.

„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen.

„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging.... en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”

Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen.

Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King wendde:

„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”

Geen van beiden antwoordden.

„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf.

„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij hebben geen meisje gezien.”

„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij bij hem aankwamen.”

„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. „Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, wat er van het meisje geworden is.”

Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.

Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van Ardjan.

„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.”

„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig en bedaard.

Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond.

Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop toebracht.

In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen, alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten te brengen.

„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.

„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.

„Wij weten het niet.”

„En gij?” was de vraag tot Ardjan.

„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den toean resident teruggekeerd zijn.”

„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.

„Geen medelijden met kerels als gij!”

„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.

„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.

„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te ontvoeren....”

„Zij is mijne bruid!” kreet deze.

„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...”

Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.

„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan te minnekoozen.”

„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....”

„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.

„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan.

„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen verrader!”

„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen, niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.” [20]

„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan waar Dalima woont!”

Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat, dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden.

Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de slachtoffers bot te vieren.

III.

HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM.

Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden.

De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren gaffel in sierlijke plooien wapperde.

Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de hut, die slechts aan de zeezijde open was.

Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd, gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.

Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en bijgevolg hard, ruw en stekelig.

Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was.

Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan, geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen, ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter, werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!

„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond ontvlood.

Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.

Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!

Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een alarmkreet vernomen werd.

„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het.

Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.

„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden.

„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch gedaan?”

Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden was.

„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!) kreet hij.

„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast hem gehurkt zat.

„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.

„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet.

En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken.

En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet ondervinden.

„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend.

Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was, waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein, dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.

Het meisje was wanhopig.

De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de lijder vervoerd zoude kunnen worden.

Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.

Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen vertrekken.

Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien was.

„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht uitoefent,” zeide hij.

„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons niet onopgemerkt bleven.”

„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn uwe bevelen?”

„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.”

Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten. Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren.

Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden?

Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.