Part 37
„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat ik u zoo’n bezoek afraad.”
„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw jongen heeft straks een pakje gebracht.”
„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
„Daar, op de piano.”
„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. „Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? Hoeveel tjandoe hebt ge?”
„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.” [204]
„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
„Te veel, Leendert.”
„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij zijn merkwaardige proef.”
„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn.
„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, welke uitwerking het opiumrooken heeft?...”
„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar te nemen.”
„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei Van Nerekool hoogst ernstig.
„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” meende Grashuis.
„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar niet de faculteit,” zei Van Beneden.
„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
„Komaan, biecht op!”
„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
„Murowsky, de Pool?”
„Murowsky, de slangentemmer?”
„Murowsky, de kapellenvanger?”
„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet, dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en... wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal uitkramen!”
„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd) op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het plein zijn.”
„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten ook!”
„Ja, de Polen zijn niet dom.”
„Maar, wanneer komt hij nu?”
„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van August van Beneden.
„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde wees.
En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als deze.”
Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard:
„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork ontvangen heb.”
„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord op mijn schrijven.”
„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Grenits.
„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.”
„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand gebracht werd,” merkte Grashuis op.
„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. „Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan die der kogels met de omringende ingezetenen.”
„Kom, Theodoor, geen politiek!”
„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en kolonie, die....”
„Schei uit! Schei uit!”
„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk overvalt....”
„Alweer?... Schei uit, Theodoor!”
„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams wilde medespreken.”
„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat schrijft hij?”
„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn. Luistert maar:
„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak, vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging. Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben geen keer....
„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??... nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.”
„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits sarcastisch.
„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt, lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde, hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel, dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde, om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh 192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde bate zou hebben.
„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk 16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden [206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas bezorgde?
„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest, zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede, die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke fictieve baten te hulp riepen.
„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen, door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te dichten?
„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen.
„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn, veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs wettigen weg vergiftigd zal worden.
„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar onmogelijk overeen gebracht worden....”
XXXII.
EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT.
„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en....”
De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter...”
„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”
De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan....”
„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.
„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.
„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx, die mij te pakken had.”
„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”
„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”
„En?” vroegen allen.
„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden vragen.
De Pool liet hem daartoe geen tijd.