Part 36
Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte veroorzaakt, te bestrijden.
Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel ongedeerd laten liggen.
Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken gezichteinder eindelijk begon te tinten.
Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne schuilhoeken te jagen.
En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het binnenste van het woud deed terugtrekken.
O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te verheerlijken.
Wat kwam die toch langzaam!
Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem door.
Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot alles met haar verblindend licht.
Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij ontmoeten zou, Karang Anjer was.
Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend, ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het Javaansche meisje met tranen in hare stem.
„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
„Maar, waar is zij dan, njaa?”
„Zij is vertrokken.”
„Waarheen, njaa?”
„Dat weet ik niet.”
Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit onverzettelijke antwoord.
Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen, dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar....
„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw Steenvlak.
„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje handenwringend.
„Neen, zeg ik u, boe!”
„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit het veld slaan.
„Ja.... dat weet ik natuurlijk.”
„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het oog.
„Ik mag, ik kan niet, boe!”
„Waarom niet, njaa?”
„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....”
Mevrouw Steenvlak aarzelde.
„Wat njaaa?”
„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
„Maar aan mij wel, njaaa!”
„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, nietwaar?”
Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude hebben.
„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
Baboe Dalima knikte ontkennend.
„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, nietwaar.”
En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje vier rijksdaalders toe.
Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was, prevelde zij:
„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld, overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot, of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros „ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.” [197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je kindje, en neem nog een kop koffie.”
Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit zoo niet blijven zou.
Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198] gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier neerzette en een kop koffie vroeg.
„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå, geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan, dat zij een poetri ware.”
„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199], zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200]
„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik antwoordde twee palen.”
„En verder?”
„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij hier niet bekend.”
„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
„Neen.”
„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
„Zeker. Zou ik niet?”
„En?”
„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de nonna veel in de zon geloopen.”
„En de haren, ma?”
„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
„Maar welke kleur, ma?”
„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, voorzeker is zij eene nonna.”
„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij niets meer, ma?”
„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg naar Sikaja.
Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. „Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare eenzaamheid geweest zijn.”
XXXI.
VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH.
Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de warmte, in de middaguren opgedaan.
Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de frissche lucht wilde hebben.
Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte.
„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?”
„Waar Leendert Grashuis?”
„Waar August van Beneden?”
Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen kruisten.
„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
„O, die zit in de nor.”
„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan is het duidelijk, waar de anderen zitten!”
„Die houden hem gezelschap.”
„Dat ’s buiten kijf.”
„Het is een troepje trouwe vrienden.”
„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar... daar wandelt Mokesuep!”
„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...”
„Shut!.... geen cancans!”
„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?”
„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename kermis zou te huis komen!”
„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...”
„Dan zal hij doen evenals de resident... en...
„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....”
„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...”
„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
„Stil nu, luistert!”
Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg.
„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester heeft te diep in het glaasje gekeken!”
Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare belooning in zich zelve vond.
Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren; zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd groene roos toe.
Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond, was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven.
„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het achter het slot houdt.”
„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.
„Waar hier aan de overzij?”
„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt gij wel anders spreken.”
„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.