Part 35
Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.
De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden [178].
Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter [180] aan te toonen.
De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.
Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.
Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.
Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)
En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.
„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”
„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”
„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”
Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181] antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.” [182]
Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.
„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”
Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?”
En het papier inziende:
„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”
„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.”
„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.
„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.” [183]
„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”
„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”
„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
„En dan breng ik mijne viool mede.”
„En ik mijn fluit.”
„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.
„Wat dan?” vroegen allen.
„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”
„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.
„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”
„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.
XXX.
BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER.
Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter den rug had.
Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar... Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185], langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” (bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want, wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit, dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes) en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s” (guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw) noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten; want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand, waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben, of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.
Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken, zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der beschaving over!
En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel. Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt was te verdwijnen, begroette.