Part 34
„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet zijn.
„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen, die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, toen hij die uitspraak deed.
„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo kalm mogelijk.
„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”
„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.
„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”
„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”
„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk zijn.”
Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen de reis begon.
„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt; langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen, van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna! en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”
„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige behendigheid hanteerde.
„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog lang niet!
„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang Anjer mocht en kon ondernemen.
„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te vermijden.
„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.”
„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde.
„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de onmogelijkheden zou behooren.”
„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven.
„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.
„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt mij de moed om voort te gaan.”
XXIX.
VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK.
Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.
„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”
„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....”
„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.
„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”
„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”
„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”
„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
„Mevrouw!...”
„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”
„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestand neêrlei?”
„Wat bedoelt ge?”
„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?...”
„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”
Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.
„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij, waar zij is?”
„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
„Wellicht om te hu....”
„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
„Maar, wat wil zij dan?”
„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”
„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
„Ik deel u de waarheid mede.”
„O, zeg mij, waar zij is?”
„Nooit!”
„Is zij op Java, is zij in Indië?”
„Ik zeg niets.”
„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”
„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...”
„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool in.
„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.
Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.
De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.
Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.
Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.
„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?”
Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.
„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”
„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
„Gij ook niet?” vroeg Karel.
„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”
„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel.
„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”
„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”
„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te gekscheren,” zei Van Rheijn.
„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.
En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.
„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.
„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.
„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”
„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.
„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”
„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”
„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”
„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.
„Gij?”
„Ja, in zake Mokesuep.”
„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”
August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.
Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.
Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.
Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.