Part 33
Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van onrustbarende tijdingen had te onthouden.
Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan ook:
„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal verlaatten.”
„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.”
„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene hinderlaag gevallen is.”
„Welnu, het zij zoo!”
Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen, prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer.
XXVIII.
CORRESPONDENTIE.
Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid daaraan ontvallen was.
Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen min of meer eene rol bedeeld was.
Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren, werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben.
„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo geheel onverdeeld dacht.
„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen? Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....”
Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe Dalima opgeworpen werden.
„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom. Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden. Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging, Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen onpartijdig getuige in den zin der wet.
„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans, opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij opiumprocessen, ontbreekt nog veel!
„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens tot dat besluit gekomen te zijn:
„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd, zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van de dochter te bewijzen.
„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren. Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt, waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd, maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds gedaan.
„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt tijd, komt raad....”
Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in officiëele kringen verwekt had.
„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman, „blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.
„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het geheele publiek dat weet.
„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....”
De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop gevolgd was.
„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam.
„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn weeromstuit op u niet missen.”
„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der aarde.
„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn...
„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan inboezemen.
„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd, welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp, dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen.
„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen leven.
„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen, en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te vergissen, het was hare hand.
„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn, om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.
„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En, werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.””