Part 3
Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? .... Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden, waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van de boeien te ontslaan.
„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is voor ons verloren!”
„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”
„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen reppen, denk ik.”
„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk zijn.”
„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.”
„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12]
„Ik ben van meening hem te laten loopen.”
„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn... Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”
„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan hebben,” zei Than Khan.
„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”
„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. Waarheen?”
„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene goede vangst gemaakt hebben.”
Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag terugkomen, verhelderde zijn oog.
„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.
De Chineezen antwoordden niet.
„Is zij ontvlucht?”
Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde... ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.....
Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam.
„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara Tjatjing te bereiken.”
„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is het zoo niet?”
Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:
„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”
„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”
„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een smokkelaar aanzag.”
„Had je geen sluikwaren bij je?”
Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.
„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je niet aan boord zijn?”
De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:
„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal door te brengen.”
„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in vollen gang zijn?”
„Het is toch zoo.”
„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”
Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng” [13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen, moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te azen.
Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.
II.
IN DE DJAGA MONJET.
Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven, of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud, getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne belangstelling meer gaande maakte.
Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien, dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker:
„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had moeten aankomen en die....”
„Nu ten anker zal willen komen.”
„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare zeilen, gaat voor anker....”
„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.”
„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s” (Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”
„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”
„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten spoeden.”
„Gij!”
„Neen, gij!”
„Waarom niet beiden te zamen?”
„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.
„Laat er ons dan om dobbelen.”
„Mij goed.”
Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.
„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij elkander. Gij teldet maar vijf.”
„Nu, dan ga ik.”
„Maar, mondje dicht over Dalima!”
„Natuurlijk,” was het antwoord.
Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.
Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets aan zijne waarneming ontsnappen kon.
Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de golf gericht hield.
„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.
Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.
„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.
„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar schiet de sloep de Moeara in.”
Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.
Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige struiken te verbergen.
„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak vertoonden.
„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde een ander lachend.
„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw zuur verdiende gagie verlost zijn.”
„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...”
„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”
Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.
Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.
Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op Dalima doelde.
Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, vroeg hij op onverschilligen toon:
„Was de Javaan alleen?”
„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.
Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.
„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.
„Ja, babah.”
„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”
„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab verbrijzeld.”
„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.
Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem evenwel met een blik te verwaardigen:
„Waarom ben je ontvlucht?”
„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij aan boord en wilde naar de dèsa terug.”
„En daarom heb je Dalima meegenomen.”
Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.
„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.
„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar verdronken?”
„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.”
„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.”
„Maar, waar is zij dan gebleven?”
„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”
Die twee stonden te bibberen van angst.
„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op antwoord!”
„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.
„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.
„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut dreunde en schudde.
„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar teruggekomen.”
Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.
„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem King.
„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.
Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut aangekomen waren, trad binnen.
„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.
In een oogwenk waren allen binnen.
„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than Khan wees.
Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden. O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere natie ook niet in de klem zou geraken?
Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:
„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind opspoort en mij uitlevert!”
Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende naar buiten.
Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de „gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.
„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, dat begrijp je!”
Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.
„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.”
Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing gekomen was, beval de Chinees:
„Komaan, spreek; ik luister.”
„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said wachtte.
„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit te kijken, daar hij gasten verwachtte.
„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten.
„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe nabijheid in een doosje bevond.
„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en weet er gebruik van te maken.
„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s geliefd worden.
„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.... ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt.... Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....”
„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.... Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.”
„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem Ping Hin....”
„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.
De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en antwoordde:
„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”
„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw je voor leugens!”