Baboe Dalima

Part 29

Chapter 293,880 wordsPublic domain

„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is? Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.”

Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis, welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan glinsterde in haar oog.

„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”

„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover mij geweest is.”

Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem ondragelijk.

„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar Karang Anjer.”

„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde.

„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan.

Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som, haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in geslagen had.

Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde:

„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.

Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten over.

Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een rauwe kreet ontwrong zich hare borst:

„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?”

Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst schrikkelijk zou beantwoord worden.

Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier droppelden.

Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar veel, zeer veel inspanning kostte.

„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien, ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.

„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij ondragelijk.

„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk niet weggelegd was.

„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.

„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar voornaam durft te onderteekenen:

„ANNA.”

Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden.

Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en viel gelukkig weldra in een vasten slaap.

Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim 36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst met ongeduld verbeid had.

Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht:

„O, als Anna toch gewild had!”

Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur, tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden.

„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.”

En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:

„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!... Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....”

„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der oppassers, den heer Meidema aandienende.

„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.

„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”

„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”

„Niet, resident?”

„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn ondergeschikten scherp aankeek.

„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”

„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent gij toen ook te beamen.”

„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te stellen.”

„En?”

„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie afgegeven.”

„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”

„Met uw permissie, resident? Dat....”

„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”

De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag niet, althans hij vervolgde:

„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”

„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw onderzoek u geleid heeft!”

„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord.

„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.”

„En dat is, resident?”

„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.”

„Resident! Die taal!”

„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...”

„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”

„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak de resident smalend.

„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij de regeering aan te klagen.”

„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”

„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den beschuldigden Ardjan....”

„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En vervolgens?”

„Vervolgens baboe Dalima.”

„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben. Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij er nog meer?”

„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te halen.”

„En?... Kom, zeil zetten!”

„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der politieoppassers.”

„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.”

„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan wal zoude gebracht hebben.”

„En gij vond niets?”

„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de aangehaalde opium te kunnen bevatten.”

„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.”

„Juist, resident.”

„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”

„Ja, resident; maar ook niets meer.”

„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, mijnheer Meidema?”

„Niet in die prauw, resident?”

„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden hebben, nietwaar?”

„Dat is zoo, maar het bewijs....”

„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat getuigen.”

„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.

„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”

„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te staan.”

„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”

„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare redding door Ardjan.”

De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde:

„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium! Daarenboven....”

„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde van den schok, die hem getroffen had.

„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident, mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”

De resident zat nog een oogenblik na te denken.

„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen constateeren?”

„Ja, resident.”

„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”

„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen deponeeren, stukgehakt en verbrand.”

Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En overluid:

„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?... Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”

„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”

„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”

„Resident!”

„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, verstaat u met den pachter.”

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet zien.”

„Resident!”

„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.”

„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.

„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!”

„Nooit, nooit, resident!”

„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u wel.”

Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij hartstochtelijk de tanden op elkander klemde:

„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak gezet worden!”

XXV.

EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG.

Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren.

„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het herstellen nog waard?”

„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”