Part 28
Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl, omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te verwaardigen, begon de secretaris:
„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten te wikken en te wegen.”
Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne Inlandsche ondergeschikten.
Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had, die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen. Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris ongeduldig nog gevraagd had:
„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.”
„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken, dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te vertragen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.”
„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des secretaris mond.
„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158]
De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden.
„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een troep meeuwen uit elkander laten jagen!”
Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, met den uitroep:
„Wat is er? Wat is er?”
Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?... Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!”
„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd zitting te nemen.”
„Niet?... Wat is er dan gebeurd?”
„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
„De deurwaarder verdwenen?”
„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.”
„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
„Keurt u hem af, resident?”
„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
„En toen?” vroeg de resident.
„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder gebeurde?”
„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, „stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen. Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te brengen....”
„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam nieuwsgierig.
„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude vrouw.”
„En verder?”
„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt verdwenen.”~
„Verdwenen?”
De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. „Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar verder? Laat vieren je loglijn!”
„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een te ontmoeten.”
„Dus werd er toch een gepraaid?”
„Ja, resident.”
„Hoe jammer!”
Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
„Hoe dat zoo? Vertel op.”
„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige gepreste zoo’n aanval van buikpijn...”
„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk! Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en zich in allerlei bochten wrong.”
„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën gebogen, op een drafje wegliep.”
„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij in katzjammer vallen van het lachen.”
De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan.
„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
„Niet? Nu loop dan van stapel.”
„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem zijne barret in den nek stond.”
„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.”
De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.”
„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten goeden tijd uwe toewijding herinneren.”
En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen aangehoord had:
„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad presideeren.”
„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking veroorlooven?”
„Laat vieren je schoot, secretaris.”
„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te branden?”
„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden onmogelijk gemaakt heeft...”
„Verder; loop van stapel.”
„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten hebben, niet waar?”
„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
De secretaris krabde zich achter het oor.
„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?”
„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159]
„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.”
„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen verzetten zich daartegen.” [160]
„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....”
„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden afstond....”
De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.”
„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te zijn.”
„Staat dit in dat proces-verbaal?”
„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is, en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst ernstig.
„Ja, resident.”
„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma.
Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van 1874 op.
„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!... Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan.... ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het ware kielwater is....”
Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de voorgalerij op en neder.
„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!”
XXIV.
OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT.
Neen, Anna had niet gewild.
Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam gegeven had.
„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.
„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in deze zaak afhangt.”
„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière trachten te bevorderen.”
„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”
„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot niets.”
En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:
„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne gedragslijn...”
„Mijne vereeniging!...” kreet Anna.
„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den man, dien zij geboeid heeft.”
„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te plegen?”
„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.
„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen, neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch, namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!”
„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, „waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen boezem wroeten?”
„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...”
„Als gij maar wildet.”
„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”
„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.
„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”
Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn trilde.
„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. „Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”
„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.
„Gij bederft zijne carrière.”
„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”
„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”
„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders daargesteld.”
„Maar waarmede?” kreet Laurentia.
„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke voorstellen deden!”
„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken. Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald wordt.”
„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak met die wijziging ingenomen zijn?”
„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal brengen.”
Laurentia zuchtte.
„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de „soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag.
„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”
„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.
„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”
Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.
„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar zijn kantoor te gaan.
„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”
„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter staan bleef.
„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen, zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; nimmer zal ik u lastig vallen.”
„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die wereld?”
„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...”
„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke plannen geld verdienen hoofdzaak is.”