Baboe Dalima

Part 27

Chapter 273,561 wordsPublic domain

In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het meest verlokt.

Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.

„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!”

De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.

Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. Na de gebruikelijke buiging:

„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”

„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach.

„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin broeang!” [151] (gij kunt beeren maken).

Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co. met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.

„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.

„Wat is er?”

„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op uwe vendutie te koopen.”

„Van wien?”

„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.

Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan zijne dierbaren daar ginds, die....

Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd. Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren, assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat bericht, maar innerlijk met verbeten woede.

De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te laten weerklinken.

Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat uitstapje kunnen bekomen.

Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning van een blanken.

Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.

Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en Grenits naar Santjoemeh rijden.

Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een aanvang.

Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn.

„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”.

„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem.

„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met langgerekte en eentonige stem.

„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem.

„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager.

„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!” (twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de opbiedingen achtereenvolgens.

„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.

„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze.

„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di tawar!”

Dat opende weer het vuur.

„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een.

„Delaapaan roepiaah, staali!”

„Delapan stenga!” (acht en een half).

„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart).

„Sembilan roepiah!” (negen gulden).

„Sembiiilaan roepiaah!”

„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf, dertien).

„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!”

„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” klonk eene stem.

„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!” (eenmaal).

„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.

„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal).

„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.

„Liimaablaas roepiaah, di tawar!”

„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed verstommen.

„Een mooi bod,” mompelde Grenits.

„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!... Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!... tiga kali...”

Boem! daar viel de hamer.

„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.

„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was.

„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.

„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”

„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.

„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie maanden crediet.”

„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement nebben.”

„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie beveelt dat?”

„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de vendumeester.

„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”

„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten andermaal geveild worden.”

De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging.

„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.

De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een breedgeschouderde heer uit:

„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg aan!”

„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.

„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”

Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?

Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen:

„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? Ik zet ze in voor zestig gulden!”

Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken hadde.

Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs bereikbaar waren.

In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.

„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.

Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren.

„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.

„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik bij ondervinding!”

„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat drankzetje staat eene karaf met bitter!”

Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.

„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.

„Welk bitter is het?”

„Maagdbitter!” riep een sienjo.

„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153]

„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.

„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je gezondheid met je pahit prawan!”

„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de venduafslager.

„Een ringgiet!” riep Grenits.

„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!”

„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.

„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.

„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht).

„Een tientje!” riep Grenits.

„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien.

„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de heeren niet hooger).

„Me dunkt!” prevelde er een.

„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.... Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!”

Boem!

„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!”

„Vooral pahit prawan!”

„Schenk dan nog eens in!”

Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te storten, bracht vijf en twintig gulden op.

De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar dak opging.

„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; toen hij daarvan mededeeling kreeg.

„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”

En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits de hand.

„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het oor.

Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.

„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.

Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner maandelijksche toelage zou moeten verminderen.

Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na.

„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en wischte zich een traan uit het oog.

XXIII.

EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING.

Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon [154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.

Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen. Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd, dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.

Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden.

„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo ontmoette.

Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd op.

„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die menigte hier te zamen brengen?”

„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de substituut niet zonder aarzeling.

„Wat afloopen?”

„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”

„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”

De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.

„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met haperende stem.

„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?”

De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.

„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.

„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit.

„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief? Spreek dan toch!”

„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den landraad.”

„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd, mijnheer Thomasz?”

„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is ook....”

„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...”

„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den hoofddjaksa verstrekt; zoodat...”

„Zoodat?”

„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”

„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten! Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”

„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut.

„Goed! Haast u dan.”

Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo opgewonden op en neer.

„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen. Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg hij zich af.

En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter:

„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden stellen!”

„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!”

„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.... Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.”

„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof, dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak:

„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de verloofde van baboe Dalima.”

En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den wijsvinger aan het voorhoofd.

„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben! Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!”

Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben.

Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had, om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng toean rakker hen opgeroepen had.

„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke ambtenaar.

De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. Radhen Ngahebi evenwel zeide:

„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”

Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel” [157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter zitting verschenen.

Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben, mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van den landraad niet bij te wonen.

„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog.

„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.”