Baboe Dalima

Part 26

Chapter 263,767 wordsPublic domain

Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk rechtsgevoel zijne opperheerschappij.

„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....”

„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit.

„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”

De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de woorden van den controleur waren.

„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. „Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming hebt gij uw rapport geschreven....”

„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?”

„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe beslissing afhangt.”

Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op de baan, die hij voor het rechte pad hield.

„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet terug,” sprak hij bedaard maar beslist.

„Is dat uw laatste woord?”

„Ja, resident!”

„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”

„Ja, resident!”

„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”

„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”

„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge beslissen!”

Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud geëindigd was.

„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik heb nog een andere logrol af te laten loopen.”

„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur.

„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...”

„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident, wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden. Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”

„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan gebeurd was...”

„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de opgewondenheid, die gij te kennen geeft.”

„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar zal zijn.”

„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”

„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”

„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.”

De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.

Verstork stond op.

„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.

„Niets meer, mijnheer Verstork.”

„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”

Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het residentiehuis af.

„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.

„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is, zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus nobilitat” te verwerven!”

Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, hem op te beuren en moed in te spreken.

„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de gevolgde gedragslijn.”

„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!”

„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”

„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...”

„Welnu?”

„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”

„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen voorspellen.”

„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens eenvoudig ontslagen werd!”

„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder eerlijk man gewaardeerd worden!”

„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”

Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam.

„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?”

„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”

„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”

„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...”

„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd aanvaard!”

Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit.

„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”

„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”

„Is er iets bizonders aan de hand?”

„Bizonders niet. Maar veel drukte!”

„Waarmede?”

„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.”

Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op Willem Verstork geworpen.

XXII.

EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN.

Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh.

Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore gebracht werd, te genieten.

In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.

„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”

„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”

„Ho, ho!”

„Wat een keurig span Persianen!”

„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel iets voor die meening aan te voeren.”

Allen lachten.

„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”

„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.”

„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...”

„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd Eduard wel.”

„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van hare dochter.”

„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”

„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.”

„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?”

„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de buurt hebben.”

„De verplaatsing van Van Nerekool?...”

In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij.

„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de Santjoemehsche courant in de hand loopt?”

„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en daaruit voorlas:

„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels, consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten, waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden, kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met commissiën belasten zich: Gladbach & Co.—

„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den overtocht heen en terug gratis.”

Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.

„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.

„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt tot zijn rijpaard!”

„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard noodig.”

„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is geene vacature voor Verstork.”

„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”

„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.

„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.

„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” vroeg er een.

Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.

„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die mooie baboe Dalima met Lim Ho.”

„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de doekoen-majoor verklaart.”

„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”

„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop gedaan?”

„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.

„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”

„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te verschijnen.”

„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, heeren?”

„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.

„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!”

„Steeds geschäftsman, die Grenits!”

„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.

„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen present zijn, nietwaar, makkers?”

„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!”

„Dat is dus afgesproken!”

„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.

De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar hoogst zelden gebeurde.

„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen. Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek, waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing, als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....”

De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.

„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet wezen. Nietwaar, mijne heeren?”

De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier slaperig:

„Ja, Excellentie!”

De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen had laten gaan, sprak toen met een zucht:

„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren voor hun advies!”

Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een grooten dienst bewezen te hebben.

En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: „dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer te rekenen hebben.”

„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.

„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering trillende stem.

„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is rot, ja geheel rot!”

„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht, wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te breidelen.”

Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich daarmede wel in zijne plaats belasten.

Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer.

Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid de Inlandsche bevolking, rondom zich.