Part 25
Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven. Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen, want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald te hebben, aldus:
„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die residentie spreken. Luistert:
„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels zijn de menschen arm.
„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.
„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente, bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.
„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje.
„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan? Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.
„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog niet genoeg voor het geheele jaar...”
„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt. Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever, en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.
„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn, en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”
Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed.
Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep zijne hand en drukte die hartelijk.
„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”
„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....”
„Laat hooren!” riepen allen.
„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem zijn......”
„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”
„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede werk hebben; nietwaar?”
„Ja! ja!” riepen allen.
„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern! Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”
„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! aan den gang!”
„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte ik onzen gastheer eene vraag te doen.”
„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.
„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143] In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....”
„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je langdradig met je warenkennis!”
„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat geheimmiddelen?”
„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.
„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn het dan?”
„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen zijn.”
„En.... kunt gij genezingen constateeren?”
„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing constateeren.”
„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van u?” vroeg Grenits.
„Ga je gang.”
„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!” [145].
Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene lastige gedachte wilde wegvegen:
„Zoo erg is het niet,” sprak hij.
„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” lachte Theodoor.
„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”
En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag gelegd,—vervolgde hij:
„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is, vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene aangename middagrust!”
Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.
XXI.
OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT.
Verstork kwam veel te laat.
Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al ras ondervinden.
„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen! Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan alles gebeuren, dan zien zij niets....”
„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen.
„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.”
Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.
„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer Verstork, om mij op de hoogte te stellen...”
„Resident, ik...”
„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp.
„Mij dunkt toch, resident, dat...”
„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”
„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort.
„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...”
De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; maar hij hervatte:
„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”
„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den Gouverneur-Generaal zal beklagen.”
Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig:
„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten. Ik zal dat rapport even doorloopen.”
De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident evenwel weer op.
„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...”
Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.
„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij gewaarschuwd waart?”
Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.
„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt; maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...”
„Mijn rapport te wijzigen, resident?”
„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche deern zoude voltrokken zijn.”
„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst ernstig.
„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn erf te laten wegjagen!”
„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles duidde op...”
„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij haar onderzocht?”
„Neen, maar....”
„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.”
Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij den controleur verrichtte.
„Zoo, Verstork! Gij hier?”
Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident in:
„Ga zitten, overste!... En wel?...”
„Geen kwestie, resident!”
„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?”
„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...”
„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?”
„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”
„Overste, ik dank u!”
„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. Dag, resident, dag, Verstork!”
„Geen excuses, overste; ik groet u!”
Toen was de geneeskundige verdwenen.
„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”
„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het wankelen.”
„Niet?”
„Neen, resident!”
„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om bakzeil te halen, om bij te draaien.”
„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.
„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik geef u in beraad dit rapport terug te nemen.”
„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die raad?”
„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te eenzijdig voorgesteld zijn...”
„Resident!”
„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:”
Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las vervolgens:
„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan, met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig bewijs.””
De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet neersloeg.
„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel ik of het bij u daar wel goed in orde is...”
„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...”
„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij die meening door uwe onbesuisde taal....”
„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van 1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om die te verwaarloozen....”
„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam invallen.
„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude wezen....”
„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik aanhaalde?”
„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren gevisiteerd geworden.”
„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat over stag, en neem dit rapport terug!””