Baboe Dalima

Part 24

Chapter 243,799 wordsPublic domain

„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”

XX.

AAN DE RIJSTTAFEL.

Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit.

De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!

Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat, in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder gewenscht was.

„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger zou moeten zijn, die het veld ruimde.”

„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik, dat dit jonge meisje mishandeld is...”

„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.

„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u, die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben, dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”

„Mijnheer Verstork!...”

„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits mij dan niet voor zal zijn.

„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen moogt!” sprak deze hoogst ernstig.

„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening weten te verschaffen!”

„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.

„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den resident verschaffen.”

„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”

Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van Santjoemeh, met den uitroep:

„O! ik zal mij wreken!”

Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de controleur van Banjoe Pahit.

Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid alleen bleef?

Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s, atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek, [129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak, sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh, sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek, [132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel, [134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang, [137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken. Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de hoofdrol op den jagersdisch te vervullen.

Ieder der gasten weerde zich goed.

Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren.

„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit mijn humeur gebracht hebben!”

„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”

„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” (varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden.

„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij wel neêrgelegd hebben?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.

„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te vernemen?”

„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.

„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”

„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”

„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?”

„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht komen mededeelen.”

Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde.

„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.

„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter:

„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch eten.”

„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.”

„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat verbiedt onze godsdienst.”

„Het spijt mij, wedono.”

„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”

„Welnu, wedono?”

„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.”

„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”

„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat gedwongen glimlach.

„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende uitgeroeid zijn?”

„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer van die verwoestende dieren zullen hebben.”

„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht volkomen gelukt! een glas daarop!”

Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe Pahit, welke van die lastige gasten verlost was.

„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. „Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.”

„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote „tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.”

„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce piquante zou lekker zijn!”

„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: „En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak van Dalima te beginnen.”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden:

Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”

Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork:

„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh; want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken.... Hebt gij mij verstaan, wedono?”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”

Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.

Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het ware verstijfde.

„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld hebben?”

„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene smokkelaarster uit?”

„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”

Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik van bedenking, antwoordde hij evenwel:

„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”

„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”

„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn op.

„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.

„Maar de getuigenis van Muizenkop?”

„Van dien ellendeling?....”

„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.

„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te krijgen.”

Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel niets.

„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...”

„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, „dat de rechterlijke macht....”

„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar, Karel?”

Deze knikte bevestigend.

„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. „Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk maakt.”

„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.

„Maar, Theodoor!....”

„Maar, Eduard!....”

„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat moet ge toch toegeven?”

„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is gemakkelijker aan te toonen.”

„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, dat is achterwege gebleven.”

„En de geschiedenis dan?”

„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer anders.”

„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, Eduard?”

„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”

„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.”

„Ja, maar, is dat alles waar?

„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”

„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?”

„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som geraamd....”

„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”

„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd, om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig op zoo’n borst!”

„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van een of meer bittertjes.”

„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141]

„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:

„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?

„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden, en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?

„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen.

„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht (reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.

„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen, schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt gehaald!

„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!

„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover, dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank.

„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang te brengen!”