Part 22
Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar onopgemerkt bleef:
„Dalima!”
Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij met rappen voet voortmaken.
„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”
„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.
„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.
„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl zij voortijlde.
„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”
„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom heb ik zoo’n haast.”
„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”
Het meisje stond eensklaps stil.
„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”
„Neen... veel erger.”
„Bij Allah! wat is er dan?”
„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet uitschreeuwen kan.”
Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” (haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het zachte brons harer wangen paarde.
Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich schuil te houden.
Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:
„Wat is er dan?”
„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, waarom uw vader gevangen is genomen.”
Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en wilde heenvluchten.
Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen. Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste.
Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja, waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten, even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima! Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar: „toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met welgevallen gedetailleerd werden.
Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu, terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!.... toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest, hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp, wanneer die opdaagde, te laat zou komen.
Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?
De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond, met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben. Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben:
„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier zijn om zeven uur in den ochtend).
De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den boodschapper welk weer het was.
„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.
Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte.
In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.
Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer meesteres, die gelukkig nog niet te bed was.
„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen Anna de deur opengemaakt had.
„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.
De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne oudste dochter nogmaals te zien.
„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!
„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”
En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, vervolgde zij.
„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo ver durven gaan?”
„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.”
„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een tijger of een tjelleng tegenkomen.”
„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”
„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”
„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama vragen.”
„Zij doet het toch niet.”
„Waarom niet?”
„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”
„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol „pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u, vraag uwe mama!”
„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”
Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond die woorden en glimlach verborgen.
Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel. Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar brein kwelde, of haar hart verontrustte.
Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere ramp trof,—vernomen had.
„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”
„Engèh, babah,” was het antwoord.
„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”
Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.
„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal:
„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”
Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en wipte in het zadel.
„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.
En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende bedienden verdwenen.
Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.
Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar Singomengolo hem wachtte.
Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd, alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop hij naast den opiumjager gehurkt zat.
„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.
„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.”
„Hoe weet gij dat?”
„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor de jacht kwamen nemen.”
„Te Kaligaweh?...”
„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.
„Dat’s waar ook.”
Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem geheel en al ontgaan was.
„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.
„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”
„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.”
„O, langer als voor enkele weken!”
„Langer? Is er dan iets gebeurd?”
„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.”
Lim Ho wreef zich de handen.
„Zoodat....” vroeg hij.
„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld worden.”
„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen wrijvende. „Maar... wat is dat?”
Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was begonnen.
„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!”
„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet ver hier van daan.”
„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer gewapend.”
Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te luisteren. De tijd vloog heen.
„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.
„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. Dat kan niemand anders zijn dan zij.”
„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu is alles verloren!”
Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak.
Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!....
„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.”
Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in „kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.
Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent.
Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel verstikt.
Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de struiken en prevelde:
„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar af te wijzen.”
Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput als het arme meisje was, met hare krachten weg.
„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet, die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.
XIX.
„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!”
Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen.
Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig meters schier loodrecht verhieven.
De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten, maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden. Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen. Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden der tjellengs bereiken konden.
De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden [122].
„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!”
Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.
Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die de vervolging niet had moeten opgeven.
Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen.
„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.
„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.
Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven hadden.