Baboe Dalima

Part 21

Chapter 213,756 wordsPublic domain

Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en.

„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.

„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.

„Zijn zij reeds afgedeeld?”

„Engèh, Kandjeng toean!”

„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte het ravijn intrekt.”

„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar)

„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd opmerkende.

„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang ontsnappen?”

„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten komen. Luister nu goed, loerah.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, zullen wij een schot lossen.”

„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”

„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken, evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.”

„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den eerbiedvollen loerah.

Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen.

Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was; zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.

De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.

Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen uitzien.

Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd.

„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de controleur.

En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde, en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te schieten.

„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.”

„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.

„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.

„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de controleur.

Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.

Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit, terwijl zij statig en fier omhoog rezen.

Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen, in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden.

Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog vertoond.

„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs, als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”

„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.”

„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij hier tot den dag des oordeels staan wachten.”

„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, „wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het is of zij bezeten zijn!”

En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht.

„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”

„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.”

En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was, en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken, die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin [117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119] staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de moeielijkheden van dat terrein.

„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel eens naderen.”

En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk. Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.

Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten; terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was, en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.

Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan een standbeeld gelijk.

„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe, waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht. „Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”

„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.

Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets mogelijk was?

„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan... maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame antwoord van het districtshoofd.

Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de kloof genaderd zijn.

Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te roepen.

„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten zullen, controleur!”

„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet jij altijd hatelijkheden debiteeren?”

„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als er geene varkens zijn.”

„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”

„Het zou....”

Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen, hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst der jacht gemaakt zijn.

Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen, heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver of deden nog eenige passen, om elders neer te storten.

De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog onoverkomelijker.

Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren handen noodlottig getroffen werden.

„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van Nerekool aan Verstork.

„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen te worden, bloot te staan.”

Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren, en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten.

XVIII.

DE ONSCHULD TEN VAL.

„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”

Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden.

„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.”

„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van angst waren.

„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”

Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend: „lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:

„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon schieten!...”

Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte, waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van „ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe was hij van te lafhartigen aard.

Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde, aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.

De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten afspiegelden.

„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene zeer aangename wandeling zijn.”

Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen, toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte.

„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat komt die hier doen?”

Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg stonden.