Baboe Dalima

Part 20

Chapter 203,735 wordsPublic domain

„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie, enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij daarna nog dat ik overdrijf!”

„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur in het harnas te jagen.”

„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de dankbaarheid van ons Nederlanders!”

„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op de molen!”

„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid gegeven, vriend Van Rheijn.”

„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten zal zijn.”

„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...” ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond:

„Ik ben mijn leven moe! Ik ga naar Atjeh toe!”

„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.

„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen, dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen, een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken, het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”

„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel weten te doen!”

„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111] Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u niet....”

„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.

„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den vinger op den wonde leg?”

„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”

Allen stonden op, behalve Van Nerekool.

„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113]

Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.

„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden.

De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan.

„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.”

„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo ongelukkig!”

„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed drukt slechts ten halve.”

„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van verleden Zaterdag te Santjoemeh?”

„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”

„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van Gulpendam mij niet genegen was?”

Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op mededeeling van het gebeurde aan.

„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. Komaan, vooruit!”

„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...”

„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over, dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”

Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te storten.

En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden.

„Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit, Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114]

mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was.

Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.

„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”

„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.

„Welnu, ga voort.”

„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.

„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje gauw van stapel, ik ben gehaast.”

„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met juffrouw Anna, en...”

„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”

„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te verzoeken haar mij als gade te geven.”

„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?”

„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.”

„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke beslissing ik zal nemen?”

„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin juffrouw Anna onuitsprekelijk!”

„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd worden. Is uwe liefde u ernst?”

„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.

„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij.

„„Ja, resident,” was mijn antwoord.

„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” was zijne tweede vraag.

„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”

„Waarom niet?” vroeg Verstork.

„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner echtgenoote niets te maken had.”

De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren.

„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne gemoedsstemming onmogelijk kon verraden.

„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw gedaan.”

„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij verder.

„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.

„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.”

„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik den grond, als het ware, onder mij wegzinken.

„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw mij voorgesteld heeft?”

„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad practisch man zou zijn, weest dan gerust....”

„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig in de rede:

„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!”

„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?”

„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”

„„Och, kom?” zei hij spottend.

„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging ik voort.

„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.

„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?”

„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij zegt lief te hebben!”

„„Hoon en laster!” riep ik uit.

„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan een huwelijk te denken.”

„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik zijn hand greep.

„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.

„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...”

„Hier haperde hij.

„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos.

„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!”

„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”

Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.

„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen opnam.”

„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....”

„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.”

„Maar Willem, Anna is....”

„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”

Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen.

Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak hij:

„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”

Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh uitstrekten.

XVII.

IN DEN DJOERANG PRINGAPOES.

„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!”

Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze vrienden te snurken lagen.

Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van:

„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te worden!”

Of wel van:

„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, buitengewoon onrustig van nacht!”

„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”

„Of een boos geweten!”

„Of een blauwe scheen!”

Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts voor korten tijd.

„Toeaaan!... Toeaaaan!”...

Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest.

„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar langgerekte geroep vernemen.

Maar Verstork hoorde niet.

„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”...

Geen woord.

De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt:

„Toeaaan!... Toeaaaan!”...

Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate onrustig.

Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot had, begon hij diens grooten teen te kriewelen.

„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog verschrikt overeind.

„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met een angst, alsof hij eene slang gevoeld had.

En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te vergissen.

„Siapa itoe?” riep hij andermaal.

„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur.

De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het bereik van den blanken man gesteld.

„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid woedend.

„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).

„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne nachtrust wel wat kort vond.

Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.

„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd.

„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.

De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.

„Wat is er?... Wat is er?”

„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!”

De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat men uitgetogen was.

In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te verfrisschen.

Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n afkeer van omslag had.

Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.