Part 2
Bladz. Voorwoord Eerste druk V Voorwoord Tweede druk VII Voorwoord Derde druk VIII I. By Moeara Tjatjing 4 II. In de djaga monjet 15 III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29 IV. De draden verwikkelen 45 V. In de voor- en binnengalerij 60 VI. Een echtpaar 72 VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88 VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104 IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118 X. Une invitation à la chasse et une invitation à la valse 132 XI. In den residentstuin 146 XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161 XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176 XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191 XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203 XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221 XVII. In den Djoerang Pringapoes 239 XVIII. De onschuld ten val 252 XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265 XX. Aan de rijsttafel 280 XXI. Op het kantoor van den resident 300 XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312 XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1 XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15 XXV. Eva’s dochteren en de slang 31 XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45 XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58 XXVIII. Correspondentie 71 XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85 XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102 XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116 XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133 XXXIII. In de regents-pandoppo 147 XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162 XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179 XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193 XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht 211 XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong 226 XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh 243 XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261 XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling 275 XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293
I.
BIJ MOEARA TJATJING.
Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.
De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.
Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere gedeelte te overstroomen.
Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.
Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de boomkruinen verborgen.
Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen. Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige „kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.
Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen stormgeweld der wateren rust kon verstoren.
Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde, door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven, niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5] gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte der zee lieten waren.
„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n storm niet verlaten heeft.”
„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”
„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden! Zoudt gij thans op zee willen zijn?”
„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die zich door geen noodweer...”
„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam) waarin twee.... weg is ze weer!”
„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene vrouw.”
„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de handen voor de oogen.”
„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de branding geraken.”
„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”
„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”
„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren, eer zoo eene zinkt.”
„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”
„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar geweken.”
„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....”
„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken in!”
Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken.
Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:
„Eene stoomboot!”
En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht in den mast.
„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10]. Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”
Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.
„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons gaan.”
„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we daar iets van de djoekoeng vernemen.”
Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt, die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar, of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te bespeuren.
„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”
„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”
En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water met zijn voorste gedeelte op het droge lag.
„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.
Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens, die in het gras lagen.
„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.
„Ik,” antwoordde een zwakke stem.
„Wie is ik?”
„Ik, Ardjan.”
„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?”
Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der schipbreukelingen.
„Diam!” (stil) fluisterde de andere.
Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:
„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”
„Ik ben overboord gevallen.”
„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.
„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”
„En die vrouw ook? Wie is zij?”
„Dat is Moenah, mijne zuster.”
„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner stem. „Is die ook over boord gevallen?”
En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd, welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te verschuilen.
„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende.
Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.
De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.
Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in wier macht zij zich bevond.
Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.
Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven.
Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet, en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” (chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts vermeerderde.
Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje vastgebonden.