Part 19
„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.”
„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.
„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt mij.”
Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.
„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand daartoe uitstak.
„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep.
„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga buiten den gang!”
En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd had, vervolgde hij:
„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden. Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der narcotische bedwelming.”
En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd, zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden, half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen, had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.
De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in verrukking zouden hebben gebracht.
Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn.
Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij haast de Europeanen tegen het lijf.
„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend vertrek binnen.
Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur, zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht, die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd.
Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet hij haar toe:
„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp klaar!”
Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf, trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare borst, met snuivende kussen. Hij....
„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat ons weggaan!”
„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! Anders valt het vuur des hemels op ons!”
Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar buiten en trok zijne vrienden met zich mede.
„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.
„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde August gejaagd. „Kom, voort!”
„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen, om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”
„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig verzette....”
„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.
„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! Kom, Verstork, gij, als controleur....”
Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden dringen.
„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over Gods dijk te laten loopen....”
„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....”
„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar komt het kind reeds naar buiten....”
En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, en liep de Europeanen snikkende voorbij.
„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in uitwerking aan den jenever gelijk is?”
August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde verontwaardiging.
„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....”
„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede.
„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”
„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.”
XVI.
HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE.
De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.
„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons onderzoek niet hebben doorgezet.”
„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80 huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”
„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg Grashuis die van cijfers hield.
„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.”
„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo iets voor niets terugdeinzen!”
„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge zoudt dien eens vuur zien vatten.”
„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van opium-verbruik zijn...”
„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, nog al met statistische cijfers solde.
„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen werd.”
„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.
„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. [102]
„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van Beneden.
„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij honderden te tellen.”
„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.
„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.
„En werkt die maatregel daar goed?”
„Uitstekend.”
„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis.
„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. [104]
„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.
„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op.
„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!”
„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken drank. Maar....”
„Maar wat?”
„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op het Nederlandsche budget gedaan.”
„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den Haag erg doof,” grinnikte Grenits.
„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”
„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest, om.... zijne maitresse te onderhouden?”
„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”
„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. „Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om naar den biertempel te gaan.”
„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te buiten gaat.”
„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van Beneden als om te protesteeren.
„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren gelegd heeft?”
„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.
„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds zoo zwaar zijn, te verscherpen?”
„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.
„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.
„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.
„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”
„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”
„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s lands kas behoorden te vloeien?”
„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.
„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers, van de geheele natie ten top gestegen is.”
„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, die uit het water komt.
„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het opiumverbruik....”
„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...” viel Van Beneden in.
„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106] Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.”
„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.
„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.”
„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.
„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen; zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden, welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.”
„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden in.
„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?”
Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, ging voort.
„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”
„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen hier in Indië.”
„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met hetzelfde sop overgoten ben.”
„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke stem.
„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”
„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.
„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft; vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in den Staat!”
„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.