Baboe Dalima

Part 14

Chapter 143,861 wordsPublic domain

Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt, als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden, die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht, de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de sarcastische woorden:

„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”

„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....”

„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.

„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen. Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van min edele bedoelingen geheel vrij is.”

Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo iemand geen lichtzinnig spel te spelen was.

„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die genegenheid niets afweten?”

„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen verleenen.”

Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken. Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest vonden.

„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).

„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”

„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...”

„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij met dien te verhandelen mocht hebben?”

Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de rechterlijke macht.

Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren, en alle andere hartstochten zwijgen.

„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....”

Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.

„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,” ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.”

Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te bedwingen.

„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten, en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de uwe zal worden....”

„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde bedwingen.

Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.

„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij eene belofte doen....”

„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....”

„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.”

„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den landraad niets te maken.”

„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn, nietwaar?”

„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”

„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....”

Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken.

„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij haar met zijn eerlijk gemoed in de rede.

„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”

De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep volstrekt niet.

„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,” ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?”

„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de smokkelarij betreft, is....”

„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der belastingschuldigen!”

„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel behoorlijk bewezen?”

„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter! die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar, mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche aanklagers onschadelijk maken!...”

„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen, vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....”

„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van Gulpendam.

„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.”

„Mevrouw....”

„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u bereikbaar. Bedenk u wel!”

„Maar, wat eischt gij van mij?”

„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste oord ware wellicht het meest verkieslijke.”

„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”

„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....”

Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij sprak, gejaagd:

„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!”

„Nooit?”

„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?”

„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”

„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”

En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep.

„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”

„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”

„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”

„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”

„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, is: doe er uw voordeel mede.”

Daarop boog zij en ijlde heen.

Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was weinige minuten later buiten.

„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone Laurentia, terwijl hij voor haar boog.

XII.

ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER.

Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch gestemd.

„Eindelijk!” riep hij.

„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!”

„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.”

„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?”

„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.”

„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen gehad hebben.”

Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest.

„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws zou die mij te vertellen hebben?”

„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo binnengetreden was.

„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) antwoordde de baboe.

„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van Gulpendam.

„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven volkomen verlof om op het kantoor te blijven.”

Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig:

„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer ontstemt.”

„Een telegram?”

„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden ochtend om acht uur reeds hier.”

„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.”

„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het lengteverschil gelegen is.”

„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en.... jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.”

„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?”

„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?”

„Van mijn broeder Gerrit.”

„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet galant.”

Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant.

„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. Tenzij....”

„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig.

„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.”

„Men?... Men?... Wie is die men?”

„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.”

„Is het niet anders?”

„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?”

„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor achttien ton inschrijven!”

„Gij spreekt er gemakkelijk over.”

„Wanneer is die verpachting?”

„In de maand September van dit jaar.”

„Laat dat nu maar aan mij over.”

„Ja, maar....”

„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe heet gij het?”

„Virtus nobilitat.”

„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het verdiend hebben.”

„Hoe?”

„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van Nerekool zoo kalm opneemt?”

„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen tijd.”

„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te antwoorden, nietwaar?”

„Dat niet,” knikte Van Gulpendam.

„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare lijfmeid Wong toewa.

Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden „dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de nieuwsgierige vrouw:

„Welnu, Gulpie?”

„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van Nerekool noodig hebben.”

„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen glimlach, alsof zij niets begreep.

„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de mededinging uitgesloten moeten worden.”

„Waarom dat?”

„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker gehieuwd wordt!”

„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?”

„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van zelfdekkerij een onderzoek gelasten.”

„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?”

„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare schreeuwzuster in zou gaan stemmen!”

„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, wanneer zij daartoe genoodzaakt is.”

„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader zich van de pacht onthield.”

„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.”

„Dat weet ik wel.”

„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.”

„Zeker.”

„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!”

„Juist!”

„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei Laurentia met een sluwen glimlach.

„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten presideeren.”

„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.”

„Wil hij daarvan niets weten?”

„Neen.”