Part 13
„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.
Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden. Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin, die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht, hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er naar geluisterd had.
Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd, waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld, gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.
„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de wals, „nieuws omtrent Ardjan.”
„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.
Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend gelaat te lezen.
„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat nu al vergeten? O, die mannen!”
„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van Gulpendam?”
„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....”
„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....”
„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge meisje.
„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?”
Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het aanminnige gelaat gevestigd was.
Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.
„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”
Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in laatstbedoelde beteekenis op.
„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats brengen?”
„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet vermoeid. Laten wij voortdansen.”
Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.
„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den maalstroom van dansers en danseressen meetroonde.
„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...”
Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.
„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”
Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.
„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?”
Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”
Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest, alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van zijn schat had willen nemen.
„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand bij uwe ouders?”
Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde zij:
„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......”
„Karel heet ik, lieve Anna.”
„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”
„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”
„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het niet ver in de wereld zal brengen.”
„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”
De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.
„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen, behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?”
Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep.
„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?”
„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”
„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....”
De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet Anna’s middel los, en bood haar den arm aan.
„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?”
Zij knikte met een bevalligen glimlach.
Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren, groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol als een kunstenaarsgedachte slingerden.
„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.”
Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden? Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn hart drukte.
„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen heeft. Dit uur behoort mij.”
XI.
IN DEN RESIDENTS-TUIN.
De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries, die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.
In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der Tjemårå’s voer.
Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor. Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de vertolking der woorden:
„Un jour, l’âme ravie, Je vous vis si jolie, Que je vous crus sortie Du céleste séjour. Était-ce donc un ange, une femme, Qui venait d’embraser mon âme? Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour, Je sais que j’aime d’un pur amour!”
zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78], dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een oogenblik ongezien te vertoeven.
„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller oog op ons gevestigd was.”
Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.
„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan zijne mannelijke borst.
„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne onverdeelde liefde betuigen.”
Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten.
„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”
Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.
Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.
„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”
En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan elkander verbonden zouden worden.
Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar ginds de cornet à piston herhaalde:
„... Mais depuis ce beau jour, Je sais que j’aime d’un pur amour!”
Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het ontwaken was nabij.
„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn kind?”
Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort:
„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.”
En toen hare dochter aarzelde:
„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. Ga gerust.”
Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar met een angstig voorgevoel heenijlen.
„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij uwen arm aan te bieden.”
Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had.
„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei, mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...”
Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was aanmoedigend.
„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...”
„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.
„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, dan...”
Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.
„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.
„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”
„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij met iets sarcastisch in hare stem.
„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij nooit een woord van liefde gewisseld...”
„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid, of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”...
„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in.
„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had ik een even speelschen geest...”
Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.
„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat Anna mij geheel gelijken zal...”
Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar vervoerde.
„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...”
„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid.
„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te beduiden heeft? Ik vat niet...”
Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht.
„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar constateeren, dat ik ook jong geweest ben....”
„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.
„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”
„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.... boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen woord ontviel....”
„Maar, mijnheer Van Nerekool....”
„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel, tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke nabij!”