Part 12
De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen.
Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden, die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit die vriendenharten ontsproten, hunnen gang.
Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had, en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het beschaafdste meisje der geheele wereld vond.
„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid bevind.”
„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig. Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.”
Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd.
„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van Nerekool.
„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....”
„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede.
„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet uitspreken.”
„Welnu dan, ga voort.”
Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden. Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij haar op het residentiehuis te komen.
Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam.
„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.”
En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had.
Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon:
„Dat is zeer treurig.”
„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.”
„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg „Willem aarzelend.
„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen, en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....”
„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend.
„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren betooverenden invloed.”
„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig.
„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig.
„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst voor.”
„Maar, waarmede dan?”
„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te beantwoorden.”
„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....”
„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op mijn woord, dan zal ik u antwoorden.”
Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane toezegging vergenoegen.
X.
UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE.
Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou geheel anders toegaan.
Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.
„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof, dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” (rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert:
„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd. Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen, die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander, de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee voert, gelegen.
„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die zult gij gewis niet afslaan.
„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” (Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is dat afgesproken?....”
„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten hooren.
„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, „en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te nemen....”
„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd kan worden, onontbeerlijk....”
„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.”
„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” (plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking. Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”
„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” (regentswoning) te brengen.”
„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk.
„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou ik....”
„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche grooten. Maar....”
„Wat, maar?”
„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”
„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. Wees gerust.”
Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd, die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren, liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte en alles omhulde.
Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden.
In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te kennen gaven.
De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te overzien.
„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den uitkijk zien staan.”
En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te ontvangen en te beantwoorden.
De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging voor zijn persoon betuigen moest:
„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”
Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en dochter terug.
„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t zicht.”
De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager, dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had.
Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven, die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te wilde vlucht namen.
„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”
Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest, zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot feestcommissarissen ridderde:
„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia met aanmoedigende stem en innemenden glimlach.
„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.
Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep:
„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”
En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters, lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud.
„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd drukte.
Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.
„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek was.”
„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.”
De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk met zijn chef.
Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna van Gulpendam in het oor gefluisterd:
„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”