Baboe Dalima

Part 11

Chapter 113,672 wordsPublic domain

„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing” (het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen, neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh... wat is dat?”...

En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.

„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde parelde.

Maar deze sprak geen woord.

Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest, gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de gevangenis van Santjoemeh overgebracht.

Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht ernstig gewond was.

Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, kon hij een bitteren glimlach niet verbergen.

„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.

IX.

KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL.

Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had, vernam, grinnikte hij van genoegen.

„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.”

Hij verviel in diep gepeins.

Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor hem te stemmen.

„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten, wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga! dat zal naar geld ruiken!”

Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen zekeren loop.

„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe, bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”, (gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met beiden tegelijk!”

Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het Hemelsche Rijk oplevert, rookte.

„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg? De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn, wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....”

En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen.

„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort. „Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten! Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val kon raken; al ware het maar voor weinige weken....”

En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht.

„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho.

„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl hij zijn sembah herhaalde.

„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.”

„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van het vertrek verdween.

„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om het even, geld is er genoeg!”

En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij:

„Is Drono al weg?”

„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te vertrekken.”

„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel.

Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem.

„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.”

„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken sembah.

„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig.

„Saja, babah.”

’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de „njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie” (kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” (kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag.

„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der Europeesche dame nederhurkte.

„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia.

„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het gesprek te beginnen.

„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.”

„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.”

De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de oude een paar rijksdaalders in de hand.

„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.”

Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde dat de njonja tevreden zou zijn.

Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, „wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon, zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was zooveel geld met haar te verdienen!”

Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote opofferingen voor haar bezit te doen.

De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien; want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij:

„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!”

Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip.

„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend.

„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met beloften laat ik mij niet afschepen!”

„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood.

Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden.

„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden glimlach.

„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf.

Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen betuigen, wanneer de zaak gelukt was.”

Laurentia lachte hoonend.

„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.... Neen, ik wil den babah niet zien.”

„Maar, njonja....”

„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.”

„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå.

„Wat ge wilt, nèh!”

„Maar, njonja....”

„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke provisie van die obat brengt.”

„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?”

„Neen.”

„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, „tjientjing’s” (ringen).”

„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) weet?”

„Gelang’s, njonja?... Welke?”

„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van „maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!”

En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink.

De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde.

„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen zijn.”

Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde.

„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh njonja!”

„Tabeh nèh!”

Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s aan ’Mbok Karjå.

Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te werpen.

Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd, terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte. Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden. Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën, die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid.

Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet, wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der wereld, namelijk die der weldenkende lieden.

Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het:

Io vivat! Nostrorum sanitas!

met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte, alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn.

Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden. Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen.

Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia.

Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden. In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe, om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat, toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten, niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, die hij zoude betreden.

Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht kon optreden.

Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk Indisch ambtenaar gevormd te worden.