Avontuurtjes

Part 2

Chapter 24,107 wordsPublic domain

Over de stoel hangen zijn kleeren.... hij heeft nog verder zijn lichaam uit bed gereikt en daar niemand zijn wil begreep, zijn bovenbroek gegrepen, van de stoel gerukt en bij zich in bed gehaald. Nu zit Vader rechtop.... en de broek, op de dekens, siddert en schokt als een levend wezen, als een angstig, gevangen dier onder Vaders tastende handen, en de leege pijpen zwaaien heen en weer, kronkelen als slangen.... wat wil vader toch....? Moeder komt van de deur terug en haar oogen staan plotseling groot en vreemd-glanzig van schrik.... Hoor toch hoe Vader zucht en steunt.... maar wat nu....? En ze wijken terug.... een handvol geld vloog uit het bed langs ze heen over den grond en nog een handvol.... en nu nog een paar losse centen achterna.... Wat moeten ze.... het oprapen.... het opvangen.... ernaar grabbelen.... Wat zegt Vader?

Moeder buigt zich over het bed. In doffe stooten komen de woorden. „Betalen....! Betalen.... alles betalen.... tot de laatste cent betalen” en de donkere broek ligt op de schemerige dekens, kronkelt en schokt als een levend dier, want aldoor grabbelen Vaders jachtige handen in de zakken en vinden nu niets meer.... en nu laten Vaders handen af en de broek komt tot rust, de plooien zinken in als afgetobd.... slap bengelen de leege pijpen af over den rand van het bed.... Maar bij dat diepe, afgematte steunen houden ze het niet uit en ze vluchten, het alcoof uit en door de woonkamer naar de keuken.... maar in de keuken is nog warmte, is nog lucht van eten en koffie.... ze willen niet wezen waar nog warmte en koffiereuk is, en de achterdeur uit, vluchten ze samen over het plaatsje, door een zwarten regenplens, het stik-duistere duffe schuurtje in....

DE NIEUWE SCHOOL

De lente is dit jaar niet langzaam-aan gekomen, maar onverwacht als door een open raam, de wereld ingesprongen. Langs alle takken, aan alle boomen, door alle kronkels in alle heggen scheurden als tegelijk de vochte schorsen open, het groen kwam bloot en vrij de zuivere ruimten in en ligt nu overal over als een dons. Eerst neusden ze dagen lang in het platte gras om-niet naar de eerste madelief, nu ligt een overvloed, als wit-en-goud-gesternte, als dik gestippelte, want ongesteeld nog, tegen de aarde aan. En kijk je schuin-uit langs de glooiïng van den dijk, het lijkt zoo dik, als kon je erin liggen, maar het is bedrog, je ziet nog overal den vochten, zwarten grond....

Het is nu morgen vroeg, ze zitten aan hun boterham voor het open raam. De dag is jong en frisch.... er gaat nog niets.... de vogels zijn de menschen voor en keuvelen droomerige geluidjes, en roeren zoetjes zich in het groen.... De dag is niet als andere dagen, hij ligt, met gisteren, zwaarder tusschen lichtere dagen in.... ze gaan vandaag voor het eerst naar de nieuwe school en gisteren was op de oude de laatste dag.... Eerst vlood de morgen en ze kwamen nog weer thuis, toen alles open ging in het middaguur, en keerden eenmaal nog eens heen, dat was de allerlaatste keer.... en elk ding dat gebeurde was voor het laatst.... In ’t speeluur deden jongens haasje-over, zij keek erbij en voelde langs zich heen het glijden van den tijd en trilde in den stroom. De achterramen staarden als verslagen oogen, haar oogen werden plotseling nat en toch was het niet haar schuld, ze is eenvoudig naar de nieuwe school verplaatst. Het boschje aan den Zuider-zijmuur liet zijn pasgeboren groen in blijde bogen zwieren door het licht en hief weer glinstering naar het blauwe veld en sprenkelde weer schaduw op den grond, heel ijl en dun en als verguld.... die zal nu dagelijks zwaarder, zwarter worden en in den zomer is er koelte van de bloeiende jasmijn en in den herfst zit je eronder op de hurken in den zachten, lossen grond en gaart er bladeren van verleden jaar en vindt in massa’s van verminkten en slijmerig verteerden een enkel droog en gaaf.... het loof vervloog tot vocht, tot lucht, tot niets, de nerven bleven in den taaien rand gehecht, een kantwerk, goudig bruin, een kantwerk, dat zichzelf daar langzaam spon, waardoor je dan je hand, je blauwe schrift, je rose vloei kunt laten schemeren, tooverachtig mooi....

Toen kwam het laatste uur en slonk en ging voorbij...., ze gaven alles wat de school behoort terug, ze namen alles dat van hen is mee, ze zijn de deur uit en de stoep af en nog weer op en weer erin en stilletjes naar hun klas en bank en eindelijk, voor altijd, weggegaan....

Maar gisteravond nog eens weer erlangs en zeiden het elkaar: nu hebben ze geen school, de oude die van jaren eigen was, zoo eigen als het eigen huis, daar zullen ze nu nooit meer binnenkomen, dat zouden ze niet eens meer mogen, die was vanmorgen nog, maar nu niet meer: hun school—de nieuwe ging nog nooit, voor niemand open....

De oude school staat midden in een straat, met huizen aan weerszij en tegenover, en boomen zijn er, karren rijden, menschen gaan voorbij.... de nieuwe school ligt rakelings tegen het land, als lichte banen snijden straten in het groen, maar zijn dat straten, waar geen huizen staan en dus geen menschen, ook geen boomen, maar zijn dat straten, al die bloote, breede reepen vlechtwerk, wit en rood.... Daar staat de school, groot, nieuw, alleen, en rondom leege vlakken straat, als lage dijken die de wei in poldertjes verdeelen, met rondom zon en rondom blauw....

Ze staan er voor.... de deur is als een poort, stroef, koel en trotsch, want boven op een hooge stoep en diep in een portiek.... nu weet je eensklaps wat: „teruggetrokken” is.... diep-glanzend nieuw van zware groene verf, toegesloten.... de ramen spiegelen, groot en koud.... en hekken naar de speelplaats, ook nog dicht.... een doode school....

Hoe groot.... hoe wijd.... door smalten, en dan ineens een breede, bleeke zee, die blikkert naar het blauw, de leege speelplaats, die ze voor het allereerst, en vreemd en schuw, betreden.... je wordt haast duizelig van het blank, waar midden in je staat, een weeke golving om je heen, van malsch en mollig grint als basterdsuiker dik gestrooid....

Twee zijden zijn besloten in de achterkanten van de school en verder bloot en open naar het land... een hek.... een lage groenbekrooste sloot.... en weiden, weiden, weiden, waar je ziet....

Ramen in rijen, groot, koud-blikkerend, dood.... grijze gordijnen, allemaal even hoog, deuren, zoo trotsch met en zonder portiek, maar glanzend diep en nieuw van zware, groene verf, toegesloten.... en alles nieuw, nieuw, nieuw en star, dat is de nieuwe school. De oude heeft geen achterdeuren, de voordeur is er breed en bruin en afgeschilferd en bekrast en maar twee treedjes hooger dan de straat....

De voeten treden weekten in het dikke grint, dat sliffend uitwijkt of het glibberig is, je zou hier niet hard kunnen loopen, maar niemand denkt eraan... de plaats is vol.... en altijd komen links en rechts vandaan nog meer.... uit de engten op.... maar niemand die aan spelen denkt. Ze staan en wachten, kijken, wijzen, staren door de ramen, de leege klassen in.... nooit zijn er kinderen in die school geweest, zoo vreemd.... zoo vreemd.... je ziet het witte schimmeren van een wand.... en platen hangen klaar... een doode school... een school die slaapt.... die zelfs niet wacht.... dat doet de oude als het vacantie is, maar deze weet van niets.... En alles nieuw.... de wind is nieuw, want hij komt uit het land, geluiden nieuw, je weet nog niet van waar.... Terzij langs de oude gaat het grintpad van den kweek, je kende elken stap die langs kwam, wist hoe laat en wie, je kende elke kar en alle stemmen in de straat, van veraf floot de trein.... hier weet je niets, hier ken je niets, en nieuw is elke uitkijk.... elk geluid....

De kleinen links.... de grooten rechts.... de deuren sloegen open, de voeten woelen, krioelen en allemaal rennen ze de stoepen op.... de school wordt wakker, wordt een school, van dood, gesloten ding het was....

Het blanke buitenlicht dringt in de gangen, zoo ver het kan, ze zien ze, grijs en wit, de vloeren sneeuwig blank en uitgevrozen blauw in groote blokken, die naar ver verschieten en door elkaar, je wordt er duizelig van, en hooge ramen die hun klaarten gieten.... daar moet je door, daar moet je overheen.... maar nu nog niet. De vreemde meester houdt ze aan den drempel tegen, de stoepetreden staan tot onder vol, de wijde gangen blijven leeg, in klaarten van de hooge ramen, in blank en blauw van blokken op den vloer. Alleen hun oogen dringen binnen, zijn erin.... Waar moet je zijn....? Hoe is je naam....? Van welke school....? Voor welke klas....? Hij laat je los.... je loopt.... je zoekt.... hoe vindt je hier den weg.... van waar komt al dat licht.... en wat klinkt alles hol... en wat is alles groot.... een trap, waarlangs het zilveren licht in stroomen vloeit, van boven af, de treden over, een blauwe trap in muren-wit gevat.... en vochte, vreemde reuken.... kilte, tocht.... waar ramen openflappen met geluid als korte donderslag....

De nieuwe klas.... de nieuwe meester.... het nieuwe uitzicht uit de nieuwe ramen.... de nieuwe kinderen in de nieuwe banken, en ook wel oude van de oude school, die voel je of het familie is.... de nieuwe school, vol nieuw geluid.... en dan ineens van hoog een bel, nooit ging een bel in de oude school.... en eensklaps is het stil.... je hoort de nieuwe stemmen van het nieuwe buiten binnenkomen....

Het leven roert nu in de nieuwe school.... die pas geboren is.... die eigenlijk nog niet leeft.... maar nu op het punt.... ze wacht.... de meester zal het eerste woord gaan spreken....

Ze denkt aan de oude school.... die ook éénmaal toch nieuw moet zijn geweest, waarin het leven ééns voor het eerst begon.... als hier.... als nu.... En alle scholen.... de oudste huizen zijn eens nieuw geweest.... En nooit heeft zij er eerder aan gedacht....

HYACINTHEN

Wie had kunnen denken dat ze haar leven ooit over de twee groote Pésach-dagen heen naar den eersten der tusschendagen verlangen zou! Ze heeft ze wel altijd in hun bijzonderen smaak genoten: ze zijn niet heilig en gewijd als de hooge Joum-Touwiem, ze zijn ook zonder dien overvloed, maar ze houden je daarvoor dan ook niet buiten het medeleven met anderen gebannen, je moogt spelen en werken en bewaart toch altijd in je een zoet dat geen vreemde weten kan, omdat thuis de tafels stralen van wit, omdat dit toch bijzondere dagen zijn. Maar nu heeft ze over de groote dagen heen naar dezen verlangd, want den Eersten Tusschendag van het Pésach-feest worden alle jaren de dunne, fijne Matsos—moeder zoekt zorgvuldig uit die met gave, onverbrokkelde randen uit de doozen kwamen—in witten doek gespeld, op het blanke, teenen boodschapmandje behoedzaam neergelegd, naar het huis van den dokter gebracht. Elk jaar is dat een feest van blijden hoogmoed—, want wat is heerlijker dan dat je iets moogt gaan geven aan menschen die zóóveel rijker zijn, waarvoor je ook niets terug wilt nemen, iets dat ze zelf niet zouden kunnen koopen, dat ze nooit zouden hebben zonder hen.... ja, het is een trotsch gevoel, aan rijkeren te kunnen brengen, waar ze blij mee zijn, maar ditmaal roofde een ander gevoel, zwaarder, voller, al-vervullend, den trots zijn oude plaats: dankbaarheid. O, nooit eerder voor nu heeft ze geweten de heerlijkheid van de dankbaarheid.... bijna-pijn, jubel en geschrei, vlijmend.... een zuchten als wentelen in jezelf.... want hoe kun je.... hoe zul je.... wat moet je....? Op straat.... dat gaat niet.... je spreekt toch maar niet zoo den dokter aan op straat.... je bent wel heel gelukkig, wanneer je hem tegen komt.... je voelt als ging er warm water over je lijf als hij staan blijft en je aanspreekt.... hij herkent je gezicht, maar weet nooit recht hoe je heet.... en zijn oogen komen als uit de verte.... maar dan vraagt hij naar Vader en of Vader gezond bleef na het langzaam herstel.... dan aait hij even rond haar kin met zijn vingertoppen, die zijn koel en droog.... en al voortloopend zingt zijn „dag,” want er is een zingen in zijn stem, naar haar uit en maait opnieuw zijn stok door de lucht en zijn oogen zijn dan alweer van haar af.... en nog niet.... nog niet weet hij.... hoe binnen in haar de dankbaarheid haar al te vol maakt van een gelukkige benauwenis....

En nu vandaag is het de dag, de vaste dag, die één keer komt elk jaar, na de twee groote Pésach-dagen—want eerder màg er zelfs geen matsos uit huis gegeven worden!—en zoo dadelijk gaat zij met het mandje, door de zon, door de zoelte van de zomersche lente, naar het huis van den dokter toe.

Ze staat tegenover Moeder, elk aan een kant van de witte tafel, en Moeder heeft de matsos voorzichtig een voor een uit de doos en midden op de doek getild—het zijn Tientjes, fijner, en duurder ook, dan de gewone voor het daagsche eten, waarvan er acht gaan in een pond.... aan de randen ontbreekt geen schilfertje.... dat de bruine blaasjes luchtig als bloesempjes gestrooid liggen over het witte kleed, daar kun je niet voor, die zitten zoo los.... ze liggen midden op den doek en hun wit is roomig naast dat van den doek en nu tilt Moeder er de vier punten overheen.... de speld is nog tusschen Moeders lippen, daardoor trekt Moeder een gek gezicht maar toch zie je duidelijk dat Moeder in zichzelve lacht.... Tusschen Moeder en haar gaat de witte tip van het tafellaken op en neer als in ademhaling.... het raam staat ook open.... het heele huis staat open.... en drinkt met ramen en deuren de lichte, zoete lente in.... en de huisdeuren staan ook open.... het huis is lauw en zoet doorstroomd.... en de witte kleeden ademen op en neer, zachtjes, zachtjes, omdat het lente en Pésach is.... Moeder en zij zijn alleen in huis en van hen beiden komt geen geluid.... maar buiten tintelen de geruchten en die komen met licht en met zoetheid de ramen in en tot in zijn hart is het huis ervan vervuld en alzoo met de lente één.... Het zijn de driftig-tjilpende vogels.... ze moeten wel denken dat ze al een stuk van het voorjaar versliepen.... het zijn de kukkelende kippen.... het is de smederij, waar het aambeeld zingt... het zijn uit de verte hanen, galmend tegen elkander in als deden ze om ’t mooist en vlak langs de open deur een kokkerend karretje en de klompjes van buurvrouws kleinen Hein en zijn zeurderig zingen, dat telkens het wijsje glippen laat.... hij is nog maar heel klein...., het zijn de eerste fluisteringen van de blaadjes die eigenlijk nog niet meer dan propjes en frommeltjes zijn.... en daarbij-in mengt het huis de geluiden van zichzelf.... den winter door stond het gesloten, verkleumd en stram, en nu, zooals een mensch wakker wordt uit lekkeren slaap, de armen en beenen rekt, zoo rekt het huis zich, nu in de lente.... het knettert en kraakt in zijn gebinten....

Ze mocht, voor het eerst van het jaar, haar zomerhoed van vorigen Pinkster weer op, die heeft een rand van strooien kant, die maakt zonnefiguurtjes op je wangen; als je neerkijkt langs je neus kun je ze zien.... ze zijn zilverig wit, de zonnefiguurtjes, en hebben rozige zoompjes, de jongens zeggen: dat is je bloed!

Achter het mandje dat moeder haar reikte van het stoepje af, dat ze gevat houdt in de rondgebogen armen, klopt haar hart, omdat ze trotsch en dankbaar is, omdat ze door de zon in een luchtigheid van ritselingen gaat en lichten wind, omdat ze voorzichtig wezen moet en in geen geval spelen of vechten of zelfs op jouwen en roepen antwoorden mag, daar matsos licht en dadelijk breken.... van dat alles samen klopt haar hart, en de zorgelijke oplettendheid om haar kostbaren last, en het denken aan het nu dichtbije doel geeft haar een voelen als was ze alleen.... ze ziet wel de menschen, maar als door wazig vensterglas.

Stil fleurt het leven in de zon. De boomen, waar je doorheen kijkt naar het licht, lijken nog leeg en kaal, als was het winter, de blaadjes niets dan ribbelingetjes aan weerszijden langs de takken verspringend, precies een breipatroontje, maar die de zon achter zich hebben, werpen schaduw voor zich uit en naar die schaduwen moet je eens kijken, dat lijkt dan al aardig wat.... want in den winter kan een boom bijna geen schaduw geven!

Het slaat van den toren, twaalf. De slagen zweven over het water, tusschen de masten door, die van hun tippen de wimpels uitwaaien doen; de kade en de schepen komen open en bloot te zien tusschen den hoedenwinkel en den koekwinkel, een vroolijke prent. Er soppen riemen, er schiet een jol tusschen de schepen door.... in den hoedenwinkel ligt versch en fleurig voor den zomer uitgestald.... van den koekwinkel is het heele hoekraam uitgeruimd voor de paasch-eieren, roze en wit. Paasch-eieren zijn dingen die je niet kunt begeeren, omdat je ze toch niet zoudt krijgen; naar chocolade-letters verlang je, want je weet den smaak van chocola, „marsepein” is een woord dat je nieuwsgierig maakt, hoe het toch wel zou zijn, maar je zult er wel niet achter komen, maar als je paasch-eieren ziet, roze en witte, die zijn groote, volle bloemen, ze hebben van veel te groote eieren den vorm, ze zijn van suiker gemaakt en toch doen ze je niet aan eten denken.... ze liggen in rijen, om en om, één roze en één wit en de roze zien er zoo broos, de witte zoo doorschijnend uit.... en nu is er met den zomer een aanvang gemaakt! Want je wist het wel vooraf.... maar hebben is hebben.

Dat zeggen ook de witte hoeden, de gele strikken, de veel sterker dan echte glanzende roode en zwarte kersen; de margrieten en korenaren hollen op den tijd vooruit.... de heele zomer ligt in den hoedenwinkel al gereed. En intusschen staat de toren gloedend in de zon, achter het water met de schepen en de jollen, de wijzerplaat fonkelt op zijn hooge plek, de wijzers liggen nog op elkaar, want het heeft juist twaalf geslagen. Tegen kwart-na-twaalf moeten ze bij den dokter zijn, dan is hij meestal wel thuis, soms ziet ze hem, nog een paar minuten vroeger, op weg van school, juist met de sleutel zijn deur binnengaan. Hij heeft een mooi huis, maar het staat vlak aan de straat, niet in een tuin, zooals de andere heerenhuizen, achter is wel een tuin, als de meid je in het wachtkamertje laat, en de deur staat open, zie je even de boomen.

De dokter is heel rijk, dat heeft ze wel altijd begrepen, maar laatst op een visite zei een juffrouw tegen Moeder dat hij rijk is door zijn vrouw.... met dokter-zijn kan hij niet rijk worden, hij vraagt de menschen te weinig geld. Ze vinden hem ook, zei diezelfde juffrouw, „een beetje vreemd.” Waar toch dat vreemde wel in mag bestaan. Gelukkig dat Moeder er ook niets van begreep.

De ijzeren appel hangt precies iets te hoog voor den reik van haar hand, en is niet makkelijk te pakken, als je voor je mandje zorgen moet, er dansten heete speldepuntjes over haar rug, stroef schuurde de ijzeren spijl, en er volgde niet meer dan één enkele tink, maar de gang is breed en hoog, tusschen de marmeren platen en de tegelen wanden dijde het geluid tot een zachten galm, en in die heldere siddering van geluid staat ze nu al zelf, want de meid trok de glimmende, bruine deur voor haar oogen weg, de reuk van het doktershuis woei naar haar uit en haar voeten voelen de koelte van de marmeren platen.

De dokter is nog niet thuis gekomen, ze weet het al voor de meid het zegt, want is hij thuis, dan hoor je hem ook, zingend praten, neuriën, loopen heen en weer, met dompe doffen van deuren. Mevrouw is er wel.... maar ze hoeft toch niet juist.... ze kan haar het mandje toch wel geven? Zeker zullen het de Joden-paaschbrooden zijn? Ja, ze hoorde al ervan, van de jongejuffrouw, vanmorgen. Er vliegt een lachje over de lippen van de meid, de „jongejuffrouw” is de dochter, een dame, die op een muziekschool gaat in de groote stad en nu zeker met vacantie over is.

Het meisje liet haar alleen en ze zette haar mandje op de bruine bank, maar zelf bleef ze staan op de marmerplaten, die zijn als zacht-smeltende sneeuw. Het is heel stil, van het loopen door de zon was ze warm geworden, nu glipt van overal een koelte om haar heen, je kunt bijna niet gelooven dat het nog maar Paschen is.

De deur naar den tuin staat half open, de bovenhelft is van bonte glasfiguren gemaakt, die gooien hun schijnselen een heel eind van zich af de gang in, licht en dun liggen ze over het wit als waren de vormen verwrongen en uitgerekt. Schaduwen ijlen er vliegensvlug overheen, even weet ze niet vanwaar die komen, maar gauw al wel: in den tuin vliegen vogels, vlak achter-langs de deur, ze vliegen in driftige zwenkingen, heen en terug en weer heen, scherpe schreeuwtjes laten ze onder het vliegen door, als zonder opzet, het zullen zwaluwen zijn die nestje-bouwen, daar ging weer een schaduw over het kleuren-waas.... je telt nog geen tel of het is alweer weg en even bliksemkort schalt van hun schreeuwtje iets naar binnen, als ze juist vliegen voorbij de opening.

Over de trapleuning komt het gezicht van het dienstmeisje, halfweg tusschen beneden en boven. Als ze bepaald de paaschbrooden zelf wil geven, zal ze moeten wachten, op het oogenblik kan mevrouw niet komen, maar in den tuin schijnt de zon en achterin staat een bank.

Ze is nog nooit in dien tuin geweest. Ze staat op het bovenste treedje, plotseling in de zon. De tuin ligt laag, hij is bijna vierkant en niet heel groot, ze vat hem heelemaal ineens in haar oogen, tusschen de schuttingen, ze ziet de bouquetten in de hoeken, waar de bloemheesters staan, wier blaadjes bloemetjes lijken, zoo ijl en zoo fijn, ze laten nog het bruine gekronkel van de takken door en de bloemtrosjes hangen af, in elken tint van rozigheid, het bleekste bijna-wit en het paarsige als van zomersche rozen en alles wat daartusschen maar roze en rozerood heeten kan. In een grooten, blinkenden witten ring—want zoo lijkt het ronde kiezelpad—is middenin een fonkelplek van gras besloten, die rijst een weinig naar het midden toe en boven-op staan hyacinthen als op hoogen troon, in de volle zon, heel veel bijeen, witte, paarse, gele, roode, maar elk op zichzelf, kaarsrecht, onbewegelijk.

Ze gaat de trappen af en ze is in den tuin, hoog om haar heen zijn de schuttingen, ze steken ver boven haar uit. Ze kijkt nog hooger.... en nooit leek de hemel zoo ontzaglijk hoog en zoo zilvertintelend blauw.... de wereld is achter schuttingen opgeborgen, tusschen den stralenden hemel en het fonkelende gras is nu niets dan de schallende schreeuwtjes van de vogels die nestjes bouwen en de hyacinthengeur.... en zelf loopt ze erin en ertusschen, met haar handen op den rug. Geweldig zwelt de reuk, nu ze het grasperk nadert, ze staat aan den rand en buigt het hoofd er naar toe en voelt het dichtgaan van haar oogen.... nu is er ter wereld niets meer dan de geur van de hyacinthen.

Maar wat gebeurt er toch in een mensch die met zijn oogen toe over zwaar-geurende hyacinthen gebogen staat? Een los en luchtig denken, dat ook geen denken is, aan wat lang geleden gebeurde.... of misschien gebeurde.... of heelemaal niet gebeurde.... een zwevend, nevelig voelen van allerhande geluk.... een schemerig zien van dingen die er eens waren.... of hadden kunnen zijn.... of die er bij waren toen er iets anders gebeurde.... wapperingen van wit in zingende winden.... zoetheden.... vochtigheden.... zonnigheden.... blinkingen blauw van vlietend water en toch ook weer wat anders en toch ook weer niet.... het gaat door je heen en is weer weg, het raakt je even en laat je weer los.... nu wordt het alles doffer.... nu wordt het mijmeren een troebel soezen.... je ruikt ook niet meer, je rook te lang achtereen.

Ze doet de oogen open.... nu lijkt ze zelf wel zoo’n tulp op een hoogen steel, die kunnen ook zoo staan wiebelen en zwieren dat het ze wel duizelig maken moet, ze had wel zoo op het gras kunnen ploffen.... de hyacinthen ruikt ze nu nauwelijks, omdat het te veel was.