Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 5

Chapter 53,687 wordsPublic domain

Deze rechte richting werd op die wijze over eene lengte van ongeveer negen kilometers voortgezet, omdat de sterrekundigen aan hunne basis die lengte wilden geven. Elk paaltje was op den top voorzien van een vizier, dat het plaatsen van de metalen linialen gemakkelijker moest maken. Om dit werk met nauwkeurigheid uit te voeren waren eenige dagen noodig. De twee jongelieden volbrachten het met nauwgezette juistheid. Nu moest men de linialen met de einden tegen elkander aanleggen, dat diende om de basis van den eersten driehoek op te meten; dit werk schijnt misschien zeer eenvoudig, maar vereischt integendeel oneindig veel voorzorgen, want daarvan hangt voor een groot deel den goeden uitslag der triangulatie af.

Ziehier welke voorzorgen men nam om de bedoelde linialen te plaatsen, waarvan hieronder eene beschrijving zal gegeven worden. In den morgen van den 10en Maart werden er blokjes hout op den grond gelegd in de richting, die reeds bepaald was. Deze blokjes, ten getale van twaalf, rustten met het onderste gedeelte op drie ijzeren schroefjes, welke slechts een schroefdraad van enkele centimeters lengte hadden, waardoor zij verhinderd werden om te verloopen en door de sterke wrijving in denzelfden onveranderlijken toestand moesten blijven. Op die blokjes legde men wederom kleine stukjes hout, die de linialen moesten dragen en ze in kleine vorkjes vasthouden. Deze vorkjes bepaalden de richting zonder de uitzetting van het metaal te beletten, die volgens de luchtgesteldheid afwisselde, en bij de bewerking in rekening moest gebracht worden. Toen de twaalf blokken vastgemaakt en de stukjes hout er opgelegd waren, namen de kolonel en Mathieu Strux zelve het zoo fijne werk op zich om de linialen te plaatsen, waarbij zij evenwel door de beide jongelieden werden bijgestaan. Wat Nikolaas Palander aangaat, deze stond met het potlood in de hand gereed om op een dubbel register de cijfers op te teekenen, die hem zouden worden opgegeven.

De linialen waren zes in getal en van eene lengte, welke te voren met eene volkomen juistheid bepaald was. Zij waren met den ouden Franschen vadem vergeleken, omdat deze bij geodesische opmetingen algemeen was aangenomen.

De linialen waren twee vademen lang, zes millimeters breed en één millimeter dik. Om ze te vervaardigen had men gebruik gemaakt van platina, een metaal dat onder gewone omstandigheden aan de lucht blootgesteld niet verandert, en bij koude noch warmte roest. Maar die platina-linialen konden door den invloed der temperatuur uitzetten of inkrimpen, en dit moest men in rekening brengen. Men had derhalve verzonnen om elke liniaal van haar eigen thermometer te voorzien; bij het maken van deze metalen thermometers ging men uit van het beginsel dat de metalen door warmte zich ongelijkmatig uitzetten; daarom was elke liniaal nog met eene tweede van koper bedekt, die echter iets korter was. Aan het einde van de koperen liniaal was een nonius bevestigd om de betrekkelijke verlenging van deze liniaal nauwkeurig aan te wijzen, waaruit men de volstrekte verlenging der platina-liniaal berekenen kon. Bovendien waren de afwijkingen van den nonius zóó berekend, dat men eene uitzetting, hoe gering ook, van de platina-liniaal aanstonds kon uitcijferen. Men begrijpt dus met welk eene nauwkeurigheid men kon werken. Bovendien was de nonius voorzien van een mikroskoop waarmede men 4/100,000 van een vadem in rekening kon brengen.

Derhalve werden de linialen zoodanig op de houtblokjes gelegd dat de einden wel dicht bij elkander lagen, doch elkaâr niet aanraakten omdat men een stootje, hoe gering ook, vermijden moest. Kolonel Everest en Mathieu Strux plaatsten zelve de eerste liniaal op de blokjes in de richting der basis. Honderd vademen verder ongeveer had men op het eerste paaltje een vizier geplaatst, en daar de linialen aan de beide uiteinden voorzien waren van twee vertikale ijzeren puntjes was het gemakkelijk om ze in de juiste richting te leggen. Emery en Zorn gingen daarom achter het eerste paaltje op den grond liggen om te zien of de ijzeren puntjes wel in het midden van het vizier zichtbaar waren. Toen dit het geval was, kon men verzekerd zijn dat de liniaal in eene goede richting lag.

»En nu," zeide de kolonel, »moeten wij zeer nauwkeurig bepalen van welk punt onze arbeid een aanvang neemt, door een paslood rakelings tegen het eene uiteinde der eerste liniaal te hangen. Geen berg zal aantrekkingskracht op het paslood uitoefenen, zooals geschiedde toen de nabijheid der Alpen de berekening der gemeten lengte tusschen Andrate en Mendovi in der tijd onzeker maakte. Hier zal het uiteinde van ons paslood op den grond juist het begin van de basis aanduiden."

»Goed," antwoordde Mathieu Strux, »mits wij de halve dikte van den draad bij het aanrakingspunt in rekening brengen."

»Dat spreekt van zelf," zeide de kolonel.

Toen het aanvangspunt aldus zeer nauwkeurig bepaald was, ging men verder. Maar het was niet genoeg dat de liniaal juist evenwijdig met de basis werd gelegd, men moest ook hare helling ten opzichte van den gezichteinder in rekening brengen.

»Wij zullen toch wel niet zoo aanmatigend zijn om te denken," merkte de kolonel op, »dat wij deze liniaal in eene volmaakt horizontale richting hebben geplaatst?"

»Neen," antwoordde Mathieu Strux, »wij kunnen volstaan door met een waterpas den hoek te berekenen, dien zij met den gezichteinder maakt, en op die wijze zal 't ons mogelijk zijn uit de gemeten lengte de ware lengte te berekenen."

Toen de beide geleerden het eens waren, deed men deze waarneming door middel van een waterpas, dat bijzonder voor dit doel vervaardigd was en bestond uit eene alidade (vizierliniaal), die zich boven aan een houten winkelhaak om een scharnier bewegen kon. Een nonius toonde de helling aan door middel van de overeenkomst van zijne verdeeling met die van eene vaste liniaal, waarop een boog van tien graden bevestigd was, in afstanden van vijf minuten verdeeld.

Het waterpasinstrument werd op de liniaal vastgehecht en de berekening gemaakt. Op het oogenblik dat Nikolaas Palander deze volgens de opname der beide geleerden op zijn register zou opteekenen, wilde Mathieu Strux nog ten overvloede dat het waterpasinstrument zou worden omgekeerd, opdat men het verschil van de beide gradenbogen zou kunnen aflezen. Dit verschil was het dubbele van de gezochte helling en op deze wijze was de nauwkeurigheid van het werk nagerekend en bewezen. Sedert dien tijd werd bij al dergelijke berekeningen de raad van den Russischen astronoom gevolgd.

Op dit oogenblik waren twee belangrijke zaken bepaald, namelijk de richting der liniaal ten opzichte van de basis, en de hoek, welken zij met den gezichteinder maakte. De verkregen cijfers werden in twee verschillende registers opgeschreven en op zijde door al de leden der Engelsch-Russische commissie geteekend.

Nu bleven er nog twee niet minder belangrijke waarnemingen op te teekenen om den arbeid met betrekking tot de eerste liniaal te voltooien, eerstens de thermometrische afwijking, en vervolgens de nauwkeurige berekening van de door haar gemeten lengte.

Wat de thermometrische afwijking betreft, deze werd gemakkelijk aangewezen door het vergelijken van het verschil in lengte tusschen de linialen van platina en koper. Mikroskopische waarnemingen, beurtelings door Mathieu Strux en den kolonel gedaan, wezen het juiste cijfer aan van de afwijking der platina-liniaal, eene afwijking, die op het dubbele register werd geboekt om haar later tot eene temperatuur van 16° C. te herleiden. Toen Nikolaas Palander de cijfers had opgeschreven, werden zij onmiddellijk door allen vergeleken.

Toen moest men de wezenlijk gemeten lengte opteekenen. Om hiertoe te geraken was het noodzakelijk om de tweede liniaal aan het uiteinde van de eerste op de blokjes te plaatsen, met dien verstande evenwel dat er eene kleine ruimte tusschen de beide uiteinden overbleef. Deze tweede liniaal werd op dezelfde wijze als de eerste neêrgelegd, nadat men eerst zeer nauwkeurig had nagegaan of de vier ijzeren puntjes wel allen in het midden van het vizier zichtbaar waren. Nu behoefde men alleen nog maar de ruimte tusschen de beide linialen te weten. Aan het uiteinde der eerste en op dat gedeelte, hetwelk door de koperen liniaal niet bedekt werd, bewoog zich een zeer klein tongetje van platina tusschen twee spijltjes. De kolonel gaf aan dit tongetje een stootje, zóó dat het de tweede liniaal aanraakte; aangezien het in tienduizendste deelen van een vadem verdeeld was, en een nonius op de spijltjes aangebracht en van een mikroskoop voorzien honderdduizendsten van een vadem aanwees, kon men met wiskunstige zekerheid de tusschenruimte berekenen, die met opzet tusschen de beide linialen was opengelaten. Aanstonds werd het cijfer op het dubbel register overgebracht en nagerekend.

Op raad van Zorn nam men bovendien eene andere voorzorg om nog nauwkeuriger berekening te verkrijgen. De koperen liniaal bedekte die van platina; het kon dus gebeuren dat door den invloed der zonnestralen, het daarvoor beschutte platina langzamer verwarmd werd dan het koper. Om dit verschil in thermometrische afwijkingen te voorkomen, bedekte men de linialen met een klein dakje van eenige centimeters hoog, zoodat het de waarnemingen niet kon hinderen. Bovendien, wanneer des avonds en des morgens de zonnestralen in schuine richting vielen en onder het dakje door de linialen konden beschijnen, spande men een stuk doek aan de zijde, waar de zon stond, om op die wijze ook dan de werking der zonnestralen te vernietigen.

Met zooveel geduld en zooveel nauwkeurigheid werd dit werk gedurende meer dan eene maand voortgezet. Toen de vier linialen achtereenvolgens gesteld en nagegaan waren met het oog op de richting, de helling, de uitzetting en de juiste lengte, begon men dien arbeid op dezelfde regelmatige wijze van voren af aan door paaltjes, blokjes en de eerste liniaal achter de vierde liniaal op te stellen en neêr te leggen. Dit werk kostte veel tijd niettegenstaande de handigheid der arbeiders. Zij konden niet meer dan 220 tot 230 vademen daags meten, en zelfs moest men nog den arbeid staken als het weder ongunstig was en het bij voorbeeld sterk woei, waardoor de werktuigen niet meer onbeweeglijk stonden.

Als de avond begon te vallen, ongeveer drie kwartier vóór dat de duisternis belette van den nonius af te lezen, staakten de geleerden hun arbeid en namen de volgende voorzorgsmaatregelen om den volgenden morgen weder te kunnen beginnen. De eerste liniaal, die met No. 1 was gemerkt, werd voorloopig nedergelegd, en men teekende op den grond de plaats aan waar zij met het uiteinde lag; daar maakte men dan een gaatje, waarin een paaltje werd geslagen, waarop men een looden plaatje had vastgemaakt. Dan legde men de eerste liniaal weder in de bepaalde richting, na de helling, de thermometrische afwijkingen en de richting te hebben waargenomen; men teekende de verlenging op, die men door de liniaal No. 4 had gemeten; daarna maakte men door middel van een looden draadje, dat rakelings tegen het uiteinde van de eerste liniaal hing, een teeken op de looden plaat van het paaltje. Op dat punt werden zeer nauwkeurig twee lijnen getrokken, welke elkander onder rechte hoeken sneden, de eene evenwijdig met de loodlijn. Daarna werd de looden plaat met een houten dakje overdekt, het gat toegemaakt en de paal tot den volgenden morgen onder gegraven. Op die wijze kon eenig ongeval de werktuigen 's nachts verstoren, zonder dat het noodig was om het geheele werk van voren af aan te beginnen.

Den volgenden dag werd de plaat bloot gemaakt, en men plaatste de eerste liniaal weder in dezelfde richting als den vorigen dag door middel van den looden draad, waarvan het uiteinde juist vallen moest op het puntje waar de beide op de plaat getrokken lijnen elkander sneden.

Zoodanig was de arbeid, die gedurende achtendertig dagen op deze zoo gunstig gelegen vlakte verricht werd. Al de cijfers werden in de dubbele registers geboekt, nagezien, vergeleken, en door alle leden der commissie goedgekeurd. Tusschen den kolonel en zijn Russischen ambtgenoot had er weinig verschil plaats. Eenige cijfers die men van den nonius aflas, en die zelfs 4/100,000 van een vadem aanwezen, gaven soms aanleiding tot eene wisseling van beleefde doch scherpe bewoordingen; maar wanneer de meerderheid geroepen werd om uitspraak te doen, dan gold dit als wet, en alles moest daarvoor buigen.

Een enkel punt wekte bij de beide tegenstanders meer dan levendige woorden op, waardoor de tusschenkomst van John Murray noodzakelijk werd. Het was de vraag welke lengte men aan de basis van den eersten driehoek geven zou. Zeker is het, dat, hoe langer deze basis zijn zou, de tophoek van den eersten driehoek gemakkelijker te meten zou zijn, omdat hij minder scherp was.

Echter kon die basis niet oneindig lang zijn. Kolonel Everest stelde eene basis van 6000 vademen voor, omdat dit bijna de lengte was van de basis op den weg van Melun. Mathieu Strux wilde die maat tot op 10000 vademen verlengen, omdat het terrein er zoo geschikt voor was. Kolonel Everest was op dit punt onhandelbaar; Mathieu Strux scheen vast besloten te hebben niet toe te geven. Na meer of minder goede bewijsgronden kwam het tot persoonlijkheden. Een oogenblik zelfs scheen de nationale eer in het spel te komen. Het waren niet meer twee geleerden, maar een Engelschman en een Rus, die tegenover elkander stonden. Gelukkig eindigde die twist door het slechte weer, dat eenige dagen duurde; men werd kalmer en er werd besloten, dat er eene basis van ongeveer achtduizend vademen zou gemeten worden, waardoor het verschil gedeeld werd.

Om kort te gaan, de arbeid werd met eene uiterste nauwkeurigheid tot een goed einde gebracht. De wiskundige juistheid moest later worden nagegaan als men aan het noordelijk uiteinde van den meridiaan eene nieuwe basis meten ging.

De onmiddellijk gemeten basis gaf als resultaat 8037.75 vademen, en daarop zou nu de gansche rij driehoeken steunen, welker net zuidelijk Afrika over een lengte van verscheidene graden moest bedekken.

VIII.

De vierentwintigste meridiaan.

Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6den Maart begonnen, was het den 13den April geëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van den meridiaan lang was. Sedert den 14den April werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basis geëindigd was, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.

Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Men begrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56'.

Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.

Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25sten meridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari's. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa's stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.

Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.

Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?

Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24ste ten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.

Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24sten meridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.

Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda (repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, kon men door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.

Den 14den April begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.

In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.

Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.