Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 3

Chapter 33,763 wordsPublic domain

Men ziet dat het tot nog toe meestal Fransche geleerden waren, die zich met deze moeilijke berekeningen hadden bezig gehouden. [1] Het was de Constituante, die in 1790 op voorstel van Talleyrand een besluit uitvaardigde waardoor het aan de Academie van wetenschappen werd opgedragen om een onveranderlijk model voor alle maten en gewichten uit te denken. Korten tijd daarop brachten Borda, Lagrange, Laplace, Monge en Condorcet een verslag uit waarbij zij als gewone eenheid van maat voorstelden het tien millioenste deel van het vierde deel van den meridiaan, en als eenheid van gewicht voor alle lichamen het gewicht van zuiver gedistilleerd water, terwijl het tientallig stelsel aangenomen werd om alle maten met elkander in overeenstemming te brengen.

Later werden deze bepalingen van de lengte van een graad op verschillende plaatsen der aarde gemaakt, want daar de aardbol geen spheroïde maar een ellipsoïde was, moesten veelvuldige berekeningen en opmetingen de hoegrootheid van de afplatting aan de polen leeren kennen.

In 1736 maten Maupertuis, Clairaut, Camus, Lemonnier, Outhier en de Zweed Celsius een noordelijken boog in Lapland en vonden 57419 vademen voor de lengte van een graad. In 1745 vonden La Condamine, Bouguer en Godin met medewerking van de Spaansche geleerden Juan en Antonio Ulloa in Peru 56737 vademen voor de lengte van den graad. In 1752 berekende Lacaille de lengte van een graad aan de kaap de Goede Hoop op 57037 vademen. In 1754 vonden de paters Maire en Boscowitch 56973 vademen voor de lengte van een boog tusschen Rome en Rimini. In 1762 en 1763 schatte Beccaria den Pimonteeschen graad op 57468 vademen. In 1768 vonden de sterrekundigen Mason en Dixon in Noord-Amerika op de grenzen van Maryland en Pennsylvanië dat de Amerikaansche graad eene lengte had van 56888 vademen.

In de 19de eeuw werden verschillende bogen gemeten in Bengalen, in Oost-Indië, in Piémont, in Finland, in Kurland, in Hannover, in Oost-Pruisen, in Denemarken, enz.; maar de Engelschen en Russen hielden zich minder ijverig dan andere volken met deze moeielijke berekeningen bezig en de voornaamste geodesische opmeting, die zij bewerkstelligden, had in 1784 plaats onder leiding van den generaal-majoor Roy, die het doel had om de Fransche en Engelsche maten met elkander overeen te brengen. Uit al deze bovenvermelde opmetingen kon men reeds opmaken dat de graad gemiddeld geschat kon worden op 57000 vademen, d. i. 25 kilometer, en als men dit vermenigvuldigde met 360, dan verkreeg men voor den omtrek der aarde eene lengte van 9000 kilometer.

Doch de boven opgegeven cijfers doen zien dat de maten van verschillende gradenbogen op onderscheidene plaatsen op aarde niet met elkander overeen kwamen. Niettemin leidde men uit dit gemiddelde van 57000 vademen, welke men als de lengte van een graad aannam, de waarde van een meter af, en men nam daarvoor het tien millioenste deel van een meridiaan, dat overeen kwam met drie voet elf millimeter en 296/1000 van een millimeter.

In wezenlijkheid is dit cijfer niet volkomen juist. Nieuwe berekeningen, waarbij men de afplatting aan de polen namelijk 1/299, en niet 1/334, zooals men vroeger meende, in aanmerking nam, geven niet meer 10 millioen meters voor de maat van een vierde gedeelte eens meridiaans, maar wel 10.000.856 meters. Dit verschil van 856 meters is op zulk eene lengte weinig merkbaar; evenwel moet men wiskundig sprekende erkennen, dat de meter, zooals hij aangenomen is, niet juist het tien millioenste deel van een vierde deel eens meridiaans is. Er is eene fout van minstens 2/10000 van een millimeter.

De aldus bepaalde meter werd evenwel niet door alle beschaafde volken aangenomen. België, Spanje, Piémont, Griekenland, Nederland, de oude Spaansche koloniën, de republieken Ecuador, Nieuw-Grenada, Costarica, enz. namen die maat bijna onmiddellijk aan; maar niettegenstaande de voorkeur, die het metrieke stelsel boven alle andere stelsels verdient, heeft Engeland tot nu toe altijd geweigerd het aan te nemen.

Misschien zou dit stelsel, zonder de staatkundige verwikkelingen van het laatst der 18de eeuw, door de bevolking van het vereenigde koninkrijk zijn aangenomen. Toen de Constituante den 8sten Mei 1790 daartoe het besluit nam, werden de Engelsche geleerden van de Royal Society uitgenoodigd om zich bij de Franschen aan te sluiten. Om de juiste maat van den meter te hebben, moest men bepalen of deze tot grondslag zou hebben de lengte van een eenvoudigen secondeslinger, of dat men als eenheid van lengtemaat een deel van een der groote cirkels zou aannemen. Doch de tijdsomstandigheden verhinderden de voorgenomen vereeniging.

Het was eerst in het jaar 1854 dat Engeland, het voordeel van het metrieke stelsel sedert lang inziende, en bovendien bemerkende dat geleerden en handelaars genootschappen vormden om het ingang te doen vinden, besloot om het aan te nemen.

Maar de Engelsche regeering wilde dit besluit geheim houden tot op het oogenblik dat de nieuwe opmetingen, die men ondernomen had, de lengte van den graad beter zouden doen bepalen. Evenwel meende de Britsche regeering in dat opzicht zich te moeten verstaan met de Russische, die er ook wel toe overhelde om het metrieke stelsel aan te nemen.

Eene commissie van drie Engelsche en drie Russische sterrekundigen werd dus gekozen uit de uitstekendste leden van wetenschappelijke genootschappen. Men heeft gezien dat het voor Engeland waren: kolonel Everest, en de heeren John Murray en William Emery, en voor Rusland de heeren Mathieu Strux, Nikolaas Palander en Michel Zorn.

Deze internationale commissie vergaderde te Londen en besliste dat men eerst een deel van den meridiaan in het zuidelijk halfrond zou meten. Als dit geschied was, zou men hetzelfde in het noordelijk halfrond doen, en uit deze twee opmetingen hoopte men de juiste maat te vinden, die aan alle voorwaarden zou voldoen.

Nu had men nog te kiezen tusschen de verschillende Engelsche bezittingen in het zuidelijk halfrond, nm. de Kaapkolonie, Australië en Nieuw-Zeeland. Nieuw-Zeeland en Australië, die juist aan de andere zijde der aarde als Europa lagen, brachten de commissie in de noodzakelijkheid om eene lange reis te doen. Bovendien konden de Maori's en de Nieuw-Hollanders, die altijd in oorlog zijn met de indringers, de voorgenomen opmeting zeer bemoeilijken. De Kaapkolonie daarentegen bood wezenlijke voordeelen aan: 1o was zij onder denzelfden meridiaan gelegen als zekere deelen van Europeesch Rusland, en na een boog van den meridiaan in zuidelijk Afrika gemeten te hebben kon men er een op denzelfden meridiaan meten in het gebied van den tsaar, en tevens de opmeting geheim houden; 2o was de reis naar de Engelsche bezittingen in het zuiden van Afrika betrekkelijk kort, en eindelijk 3o zouden de Engelsche en Russische geleerden daar eene uitstekende gelegenheid vinden om den arbeid van den Franschen sterrekundige Lacaille na te gaan, door op dezelfde plaats als hij te werken, en te onderzoeken of hij gelijk had gehad met het cijfer van 57037 vademen op te geven voor de maat van een graad op den meridiaan aan de Kaap de Goede Hoop.

Er werd derhalve beslist dat de geodesische arbeid aan de Kaap ondernomen zou worden. De beide regeeringen keurden de beslissing der Engelsch-Russische commissie goed. Een belangrijk krediet werd geopend. Alle instrumenten, die voor de opmeting noodig waren, werden in dubbelen getale vervaardigd. William Emery werd uitgenoodigd om toebereidselen te maken voor een tocht in de binnenlanden van zuidelijk Afrika. Het fregat Augusta van de koninklijke marine, ontving bevel om de leden der commissie en hun gevolg naar de monding der Oranjerivier over te brengen.

Men mag er wel bijvoegen dat er behalve een wetenschappelijk doel, ook nationale eigenliefde mede gemoeid was, waardoor deze voor een gemeenschappelijken arbeid vereenigde geleerden werden aangevuurd. Het was er inderdaad om te doen om Frankrijk in zijne berekeningen te overtreffen, om den arbeid der beroemdste Fransche sterrekundigen in juistheid te verbeteren, en dat nog wel te midden van eene woeste en bijna onbekende landstreek. Ook waren de leden der Engelsch-Russische commissie besloten om alles, zelfs hun leven op te offeren, ten einde een doel te bereiken dat heilzaam voor de wetenschap en te gelijkertijd roemvol voor hun land zijn zou.

En ziedaar waarom in de laatste dagen van Januari 1854 William Emery zich bij den waterval van Morgheda aan den oever der Oranjerivier bevond.

V.

Een Hottentotsch dorp.

De reis op het bovendeel der rivier werd spoedig afgelegd. Evenwel werd het jaargetijde regenachtig; maar de reizigers, die 't in de kajuit der boot vrij gemakkelijk hadden ingericht, hadden niets te lijden van de stortregens, die in dezen tijd van het jaar hier gewoon waren. De Queen and Tzar vorderde snel. Men ontmoette geen snelle stroomingen of ondiepten, en de stroom was over het algemeen niet sterk genoeg om den gang der boot te vertragen.

De oevers der Oranjerivier boden altijd hetzelfde verrukkelijke schouwspel aan. Bosschen van verschillende boomsoorten volgden elkander op, en een wereld van vogels fladderde daarin rond. Hier en daar stonden groepen boomen van het geslacht der zilverboomen, en vooral de »wagenboom" met roodachtig gemarmerd hout, die er wonderlijk uitzag met zijne donkerblauwachtige bladeren en groote gele bloemen; verder de »zwartebast" met zwarte schors, de »karree" met zijne donkerkleurige altijd groene bladeren. Het kreupelhout strekte zich eenige kilometers ver van de oevers der rivier uit, en overal was deze met treurwilgen langs de kanten bezet. Hier en daar deden zich plotseling uitgestrekte naakte velden aan het oog voor. Het waren groote vlakten met een onnoemelijk aantal kolokwintstruiken begroeid; daar tusschen stond de honigvoortbrengende plant proteus, waaruit geheele zwermen kleine vogels met zacht gekweel opvlogen, die door de kolonisten suikervogels genoemd worden.

De vogelwereld bood groote verscheidenheid aan. De Boschjesman deed ze opmerken aan John Murray, die een groot liefhebber was van allerlei wild. Ook ontstond er een soort van vertrouwelijkheid tusschen den Engelschen jager en Mokum, die volgens de belofte van kolonel Everest van zijn reismakker eene uitmuntende, verdragende buks ten geschenke ontvangen had. Het is onnoodig om de tevredenheid van den Boschjesman te schetsen, nu hij zich in het bezit zag van zulk een prachtig wapen. De twee jagers begrepen elkander goed. Al was hij een uitstekend geleerde, toch ging John Murray voor een van de beste jagers van het oude Caledonië door. Hij hoorde met belangstelling, met een soort van afgunst de verhalen van den Boschjesman aan. Zijne oogen schoten vlammen als de jager hem onder de boomen eenige wilde dieren aanwees, hier giraffen in troepen van vijftien tot twintig, daar buffels van zes voet hoog en den kop met een paar zwarte horens voorzien, wat verder wilde gnoes met een paardestaart, elders troepen caäma's, eene soort van groote damherten met schitterende oogen en een paar horens, die een dreigenden hoek met elkander maakten, en overal, zoowel in het dichtste woud, als op de kale vlakten die oneindige verscheidenheid van antilopen, die in zuidelijk Afrika zoo talrijk gevonden worden, de bastaardgems, de gemsbok, de gazelle, de springbok, enz. Was daar dus niet overvloedig gelegenheid om een jager te doen watertanden, en konden de vossenjachten in de Schotsche vlakten wel vergeleken worden met de jachten van een Cumming, een Anderson en een Baldwin?

Men moet zeggen dat de reismakkers van Murray vrij wat minder zich getroffen gevoelden door het gezicht van die prachtige stukken wild. Emery beschouwde zijne ambtgenooten met groote opmerkzaamheid, en trachtte hun karakter onder hun onverschillig uiterlijk te raden. Kolonel Everest en Strux, die ongeveer even oud waren, waren even terughoudend, voorzichtig en vormelijk. Zij spraken met eene afgemeten langzaamheid en elken morgen zou men gezegd hebben, dat zij elkander vóór den vorigen avond nog nimmer ontmoet hadden. Men behoefde de hoop niet te koesteren, dat er tusschen deze twee voorname personen ooit eenige vertrouwelijkheid ontstaan zou. Twee tegen elkander geschoven ijsschotsen eindigen met zich te vereenigen doch niet alzoo twee geleerden, wanneer zij beiden eene hooge wetenschappelijke betrekking bekleeden.

Nikolaas Palander was vijfenvijftig jaren en één van die mannen, die nooit jong zijn geweest, en nooit oud worden. De sterrekundige van Helsingfors was altijd verdiept in zijne berekeningen; hij kon een uitstekend werktuig zijn, maar het was dan ook niet anders dan een werktuig, eene soort van rekentafel of algemeen rekenwerktuig. Rekenaar van de Engelsch-Russische commissie, was deze geleerde een van die wondermenschen, die uit het hoofd met vijf cijfers vermenigvuldigen, eene soort van vijftigjarigen Mondeux.

Michel Zorn had door zijn leeftijd, zijn opgewonden karakter en zijn goed humeur meer overeenkomst met William Emery. Zijne beminnelijke hoedanigheden beletten hem niet een sterrekundige van groote verdiensten te zijn, die zich reeds op jeugdigen leeftijd beroemd had gemaakt. De door hem en onder zijn toezicht op het observatorium van Kiew gedane ontdekkingen omtrent de nevelvlek van Andromeda hadden in het geleerde Europa heel wat beweging veroorzaakt. Aan zijne onwedersprekelijke verdiensten paarde hij groote nederigheid, en hield zich bij iedere gelegenheid op den achtergrond.

William Emery en Michel Zorn moesten vrienden worden; zij waren verbonden door denzelfden smaak en dezelfde neigingen. Zij spraken veel met elkander. Gedurende dien tijd namen de kolonel en Mathieu Strux elkander zeer bedaard op. Palander trok uit het hoofd vierkants-wortels, zonder dat hij acht gaf op de verrukkelijke plekken langs de oevers, en John Murray en de Boschjesman vormden plannen om eene vreeselijke slachting onder het wild aan te richten.

De reis op den bovenstroom der Oranjerivier kenmerkte zich door geen enkel voorval. Soms schenen de steile rotsoevers, die den bochtigen stroom insloten, elken uitgang af te sluiten. Dan weder maakten met boomen begroeide eilandjes, die als 't ware midden in den stroom geworpen waren, het onzeker, welken weg men volgen moest; doch de Boschjesman aarzelde nimmer, en de Queen and Tzar koos den besten weg, of stoomde zonder dralen uit den cirkel van rotsen, die haar omringden. De stuurman behoefde geen enkel oogenblik berouw te gevoelen dat hij de aanwijzingen van Mokum gevolgd had.

In vier dagen legde het stoomschip de twee honderd veertig kilometers af, die de watervallen van Morgheda nog scheidden van de Kuruman, een van de zijtakken, die langs de stad Lattakou stroomt; dit was juist de plaats waar de commissie zich moest heen begeven. De stroom vormde dertig kilometers boven den waterval een elleboog, en eene andere richting aannemende, als die van het oosten naar het westen, begrensde hij, in zuidwestelijke richting stroomende, de scherpe punt, die het grondgebied der Kaapkolonie ten noorden vormt. Van dit punt richtte de rivier zich noordoostwaarts en verloor zich drie honderd kilometers verder in de boschrijke streken der Transvaal-republiek.

Het was den 5en Februari, des morgens nog zeer vroeg en onder een slagregen, dat de Queen and Tzar Klaarwater, een Hottentotsch dorp bereikte, dicht bij de plek waar de Kuruman in de Oranjerivier valt. Kolonel Everest wilde geen oogenblik verliezen, en liet dus spoedig de weinige hutten van Boschjesmannen, die het dorp vormden, achter zich, terwijl de boot door de werking der schroef tegen den stroom van den nieuwen zijtak opstoomde. Deze zijtak stroomde, zooals de reizigers opmerkten, zeer snel door eene bijzonderheid, welke hem eigen was. De Kuruman toch, die aan haren oorsprong zeer breed is, wordt smaller naarmate de stroom vordert omdat het water door de zonnehitte verdampt. Maar in dit jaargetijde was zij zeer gezwollen, diep en snelstroomend door aanhoudende regens en door het water van een zijtak, de Moschona. De vuren werden dus aangestookt, en de boot stoomde met eene drie kilometersvaart de Kuruman op.

Gedurende dezen tocht maakte de Boschjesman den heer Murray opmerkzaam op een vrij groot aantal nijlpaarden. Die groote dikhuidige dieren, die door de Hollanders aan de Kaap »zeekoeien" genoemd worden, zijn dik en log, acht tot tien voet lang en weinig geneigd om iemand aan te vallen. Zij werden verschrikt door het snuiven der boot en het slaan van de schroef; zij dachten zeker een nieuw soort van monster te zien, dat zij moesten wantrouwen, en inderdaad maakten de wapens aan boord de nadering zeer moeielijk. John Murray had zijne ontplofbare kogels gaarne op die vleeschklompen beproefd, doch de Boschjesman verzekerde hem dat er in de noordelijke stroomen geen gebrek aan nijlpaarden zijn zou, en John Murray besloot dus om gunstiger gelegenheid af te wachten.

De honderd vijftig kilometers, die den mond der Kuruman van Lattakou scheidden, werden in vijftig uren afgelegd. Den 7den Februari bereikte men om drie uren des namiddags deze plaats. Toen de boot aan den oever was vastgemaakt, kwam een man van vijftig jaar met een deftig, doch goedig uiterlijk aan boord en stak William Emery de hand toe. De astronoom stelde den nieuw aangekomene aan zijne reismakkers voor en zeide: »De eerwaarde Thomas Dale van het zendelinggenootschap te Londen, en directeur van het station van Lattakou."

De Europeanen groetten den eerwaarden Thomas Dale, die hen welkom heette, en deze stelde zich geheel ter hunner beschikking.

De stad Lattakou of liever het gehucht van dien naam, vormt in het noorden het meest van de Kaapstad verwijderde station van zendelingen. Zij wordt in oud en nieuw Lattakou verdeeld. Het oude Lattakou, dat nu bijna geheel verlaten is, en waar de Queen and Tzar aankwam, telde in het begin van deze eeuw nog twaalfduizend inwoners, die sedert dien tijd naar het noordoosten getrokken zijn. Toen de stad zeer in verval raakte, werd zij door Lattakou vervangen, dat in eene vlakte, die vroeger met acacia's bedekt was, niet ver daarvandaan gebouwd werd. Dit nieuwe Lattakou, waarheen de Europeanen zich onder geleide van den zendeling begaven, bevatte een veertigtal groepen huizen, en telde ongeveer vijf of zes duizend inwoners, die tot den grooten stam der Betchuanen behoorden.

In dit dorp hield dokter David Livingstone in 1840 gedurende drie maanden zijn verblijf, voordat hij de reis naar de Zambese ondernam, eene reis, die den beroemden reiziger noodzaakte geheel midden-Afrika door te trekken van de baai van Loanda in Congo, tot aan de haven van Kilimane op de kust van Mozambique.

Te nieuw-Lattakou aangekomen, overhandigde kolonel Everest aan den directeur van de missie een brief van dokter Livingstone, die de Engelsch-Russische commissie aan zijne vrienden in zuidelijk Afrika aanbeval. Thomas Dale las dien brief met bijzonder genoegen, daarop gaf hij dien aan kolonel Everest terug, zeggende dat hij hem op zijne reis mogelijk van nut kon zijn, daar de naam van David Livingstone in dit gedeelte van Afrika bekend en geëerd was.

De leden der commissie werden in het huis der zendelingen ingekwartierd; 't was een groot gebouw, dat op eene hoogte opgericht, en door eene ondoordringbare haag als door een vestingmuur omgeven was. De Europeanen waren in dit gebouw gemakkelijker gehuisvest dan zij het bij de Betchuanen zouden geweest zijn. Niet, omdat de woningen van dit volk niet zindelijk zijn; integendeel, want de vloer is gemaakt van zeer vaste klei, waarop geen stofje te zien is; het dak is met lang stroo bedekt en ondoordringbaar voor den regen; maar toch zijn deze huizen slechts hutten, waartoe een rond gat, dat nauwelijks groot genoeg is om een mensch door te laten, toegang verschaft. In die hutten leven allen gemeenschappelijk onder elkander en men kan niet zeggen dat die samenleving met de Betchuanen tot de aangenaamste behoort. Het hoofd van den stam, die te Lattakou woonde, zekere Moulibahan, meende dat hij zijne opwachting bij de Europeanen maken moest. Moulibahan was een vrij knap man zonder de dikke lippen of den platten neus van het negerras; hij had een rond gelaat, dat niet, zooals bij de Hottentotten, van onderen smal toeliep. Hij droeg een mantel van huiden, welke zeer kunstig aan elkander waren genaaid, en een voorschoot, dat de inlanders »Pukoje" noemen; verder een lederen muts en sandalen van buffelleder. Aan zijne armen had hij ivoren ringen; in zijne ooren bengelden vier centimeters lange koperen staafjes als oorbellen, die tevens tot amuletten moesten dienen. Boven van zijn muts hing een antilopenstaart. Zijn jachtstok was bovenaan met een bos zwarte struisvederen versierd. Men kon de natuurlijke kleur der huid van dezen Betchuanen-hoofdman niet zien onder de dikke laag oker, waarmede hij van het hoofd tot de voeten bedekt was. Eenige onuitwischbare inkervingen in de dij duidden het aantal vijanden aan, die Moulibahan gedood had.

Dit stamhoofd, dat minst genomen even deftig was als Mathieu Strux zelf, naderde de Europeanen en nam hen één voor één bij den neus. De Russen lieten dit ernstig toe; de Engelschen stribbelden een weinig tegen, en toch was het volgens Afrikaansche zeden eene plechtige verbintenis om de plichten der gastvrijheid jegens de Europeanen in acht te nemen. Toen de plechtigheid was afgeloopen ging Moulibahan zonder een woord te spreken heen.

»En nu wij genaturaliseerd zijn als Betchuanen," zeide kolonel Everest, »kunnen wij ons zonder een dag of een uur te verliezen met ons werk bezighouden."

Geen enkel uur ging verloren, en toch was de commissie niet vóór de eerste dagen van Maart tot het vertrek gereed, zooveel zorg en omslag vereischt het gereedmaken van zulk eene onderneming. Het was bovendien de door kolonel Everest aangewezen dag. Op dat tijdstip namelijk eindigde het regenseizoen, en het water dat in de uithollingen van den grond hier en daar was blijven staan, zou eene kostbare hulpbron worden voor de woestijnreizigers.

Het vertrek werd op 2 Maart vastgesteld. Dien dag was de geheele karavaan onder bevel van Mokum tot het vertrek gereed. De Europeanen namen afscheid van de zendelingen van Lattakou, en verlieten ten zeven ure 's morgens het plaatsje.

»Waar gaan we heen, kolonel?" vroeg William Emery op het oogenblik dat de karavaan de laatste hut van het stadje achter zich liet.

»Recht voor ons uit, mijnheer Emery," antwoordde de kolonel, »tot op het oogenblik dat we een geschikte plaats hebben gevonden om een basis te meten!"

Om acht uren had de karavaan de lage en met kleine heesters bedekte heuvels achter zich, welke Lattakou omringen, en de woestijn lag met al hare gevaren, vermoeienissen en onvoorziene gebeurtenissen voor hen.

VI.

Verdere kennismaking.

Het onder bevel van den Boschjesman staande geleide telde honderd man; het waren allen Boschjesmannen, werkzame, bedaarde, vreedzame mannen, die groote lichamelijke vermoeienissen konden uitstaan. Voordat er zendelingen in het land waren haakten de Boschjesmannen, die als leugenaars en als weinig gastvrij bekend stonden, naar roof en moord, en maakten meestal van den nacht gebruik om hunne vijanden te vermoorden. De zendelingen hebben wel hunne barbaarsche zeden aanmerkelijk beschaafd, doch die inboorlingen maken zich nog altijd meer of min schuldig aan het plunderen van woningen en het rooven van vee.

Tien wagens, gelijk aan het voertuig, dat de Boschjesman naar den waterval van Morgheda gebracht had, vormden het rollend materieel van den tocht. Twee van die wagens, een soort van beweegbare huizen, waren gemakkelijk ingericht en dienden den Europeanen tot verblijf als zij halt hielden. Zij werden dus gevolgd door een houten huis, van droge planken getimmerd, met ondoordringbaar zeildoek bedekt, en van verschillende bedden en toiletbenoodigdheden voorzien. Als men halt hield was dit tijd gewonnen, omdat men de tenten geheel opgeslagen met zich voerde.