Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Part 21

Chapter 214,051 wordsPublic domain

Zoo bleven de verschillende vaartuigen een uur lang op gelijken afstand van elkander, wijl James, om den vijand te bedriegen, slechts langzaam voortstoomde, waarbij hij zorg droeg dat er een dikke zwarte rook uit de schoorsteenen drong, om te doen gelooven dat hij zijn maximum van drukking, en derhalve van snelheid gebruikte.

»Wat zullen ze kijken als ze ons aanstonds tusschen hen door zien stoomen," zei de kapitein.

Inderdaad, toen de kapitein zich dicht bij het eiland Morris zag en in de buurt van kanonnen, wier kracht hij niet kende, veranderde hij plotseling van richting, liet de boot omkeeren en keerde naar het noorden terug, de beide kruisers twee mijlen achter zich latende.

Toen de noordelijke kruisers die manoeuvre zagen, begrepen zij het plan van den Dolfijn en begonnen hem achterna te zetten; doch de Dolfijn verdubbelde zijne snelheid, had hen weldra op een afstand en naderde de kust. Zij zonden hem nog een paar kogels na, doch die bereikten den halven weg niet.

Des morgens om elf uur stoomde de Dolfijn vlak langs het eiland Sullivan, met alle macht het kanaal in. Daar was hij veilig, want geen noordelijke kruiser zou hem in dat ondiepe vaarwater hebben durven volgen.

»Is dat nu al die moeielijkheid!" riep Crockston.

»Hei, hei, baas Crockston," antwoordde James Playfair, »de moeielijkheid zit 'em niet in het komen, maar in het heen gaan."

»O," antwoordde de Amerikaan; »met een schip als de Dolfijn en een kapitein als mijnheer Playfair komt en gaat men zoo als men wil."

Intusschen onderzocht de kapitein, met den kijker, den weg dien hij volgen moest; hij had uitmuntende zeekaarten voor zich, zoodat hij zonder aarzeling voorwaarts ging.

Toen hij eenmaal met zijn schip in het nauwe kanaal was, stuurde hij eerst op het fort Moultrie aan, totdat hij het kasteel Pikney, op het eenzame eilandje Shute's Folly in het oog kreeg.

Op dat oogenblik werd hij door eenige kogels uit de batterijen van het eiland Morris begroet, die hem niet bereikten. Hij zette zijn koers voort, stoomde Moultrie-Ville, aan het uiterste punt van het eiland Sullivan, voorbij en de baai in.

Weldra had hij het fort Sumter links achter zich, dat hem tegen de batterijen der Noordelijken beschermde.

Dat fort, dat zoo beroemd geworden is in den Amerikaanschen oorlog, ligt ruim drie Engelsche mijlen van Charleston.

Uit dat fort werden in April 1861 Anderson en zijne Noordelijke troepen verjaagd, op wien de eerste schoten der Geconfedereerden gelost werden.

Het was toen nog in krachtigen staat van tegenweer en de zuidelijke vlag wapperde nog van den ontzaglijken steenen vijfhoek.

Toen de Dolfijn het fort voorbij was, zag men dat Charleston tusschen de beide rivieren Ashley en Cooper in is gelegen.

James Playfair stoomde tusschen de drijftonnen door en liet den vuurtoren zuid-west ten zuiden liggen. Hij had toen reeds de Engelsche vlag geheschen en stoomde met eene wonderbare snelheid tusschen de engten door.

Toen hij de drijfton der quarantaine aan stuurboordzijde achter zich had, ging hij vrij, midden in de baai, vooruit. Jenny stond op de kampanje en aanschouwde de stad waar haar vader wederrechtelijk gevangen werd gehouden en de tranen schoten haar in de oogen.

Eindelijk verminderde de Dolfijn zijn stoom en lag weldra voor de kade de North commercial Wharf.

EEN GENERAAL DER GECONFEDEREERDEN.

De Dolfijn was bij zijne aankomst door eene tallooze menigte met gejuich begroet. De inwoners van Charleston waren geene Europeesche schepen meer gewoon. En toen zij nu hoorden waarom de Dolfijn de engte van Sullivan doorgedrongen was, kwam er aan het juichen geen eind.

Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stelde de kapitein zich in betrekking tot den militairen kommandant, generaal Beauregard. Deze ontving hem met groote blijdschap en weldra waren tallooze handen aan het werk om het schip te lossen.

Eer Playfair van boord ging, had hij van Jenny de krachtigste aanbevelingen ten behoeve van haren vader ontvangen.

»U kunt op me rekenen, juffrouw Jenny," had hij geantwoord; »'k zal het onmogelijke doen om uw vader te bevrijden; 'k zal generaal Beauregard zelf spreken en zonder hem ronduit de invrijheidstelling van uw vader te vragen, zal ik wel te weten komen in welken toestand hij verkeert en of hij op zijn woord van eer zich vrij bewegen kan."

»Mijn arme vader," antwoordde Jenny zuchtende. »Hij zal niet denken dat zijn dochter zoo dicht bij hem is. Kon ik maar in zijne armen vliegen!"

»Geduld, juffrouw Jenny; weldra zult u uw vader omhelzen, hoop ik. 'k Zal met den meesten ijver uw zaak behartigen, maar tevens bedachtzaam en voorzichtig zijn."

Toen Playfair derhalve de zaken voor zijn Huis met het beste gevolg had afgedaan, begon hij met den generaal een gesprek over de zaken van den dag.

»En u gelooft dus nog aan het zegevieren van uw zaak?" vroeg hij.

»'k Twijfel er geen oogenblik aan. Al maakten de Noordelijken zich van onze Staten meester, ze kunnen er toch nooit komen wonen. Al overwonnen ze, dan zouden ze nog maar verlegen met hunne verovering zijn."

»En zijt u zeker van uw soldaten?" vroeg Playfair; »vreest u niet dat Charleston een beleg zal moede worden dat de stad ten ondergang sleept?"

»Neen; 'k vrees geen verraad, 'k zou de verraders onmiddellijk laten ophangen en de stad zelf in brand steken, indien 'k de minste unionistische beweging bespeurde. Jefferson Davis heeft me de stad toevertrouwd en 'k zal haar bewaren."

»Hebt u ook gevangenen van de Noordelijken?"

»Ja wel, kapitein; want hier in Charleston is de scheuring het eerst feitelijk uitgebarsten. De Noordelijken die hier waren, hebben nog weerstand willen bieden, en die zijn hier gevangen gebleven nadat ze verslagen waren."

»Zijn er veel?"

»Honderd ongeveer."

»Vrij in de stad?"

»Dat waren ze totdat ik een samenzweering onder hen ontdekt heb. Hun aanvoerder had betrekkingen met de belegeraars zien aan te knoopen. 'k Heb derhalve die gevaarlijke gasten moeten opsluiten, en verscheidene van die Noordelijken krijgen een kogel door den kop."

»Wat! worden ze gefusilleerd?"

»Ja, en hun aanvoerder het eerst. Die is een gevaarlijk persoon in eene belegerde stad. 'k Heb zijne in beslag genomen brieven naar Richmond ópgezonden, en eer we acht dagen verder zijn, is zijn lot onherroepelijk beslist."

»Hoe heet die man?" vroeg Playfair, op volmaakt onverschilligen toon.

»Jonathan Halliburtt, een woedende abolitionist."

»Die arme kerel!" antwoordde James, zijne aandoening verbergende; »'k beklaag hem toch. En houdt u het voor zeker dat hij doodgeschoten zal worden?"

»Zeer zeker. Maar wat is er tegen te doen. Oorlog is oorlog en men moet zich verdedigen."

»Enfin; 't raakt me niet," antwoordde de kapitein, »en 'k ben al ver weg als de executie plaats heeft."

»Hoe, zoo spoedig reeds?"

»Ja, generaal, zoodra 'k mijn lading katoen in heb, ga ik in zee. 'k Ben te Charlestown gekomen, maar 'k moet er weer uit ook. De Dolfijn is een goed schip; hij kan het tegen alle noordelijke schepen volhouden in zijn vaart, maar hij kan geen honderdponders op een afstand houden, en één kogel zou mijn geheelen handel bederven."

»Nu, 'k kan u geen raad geven. U handelt naar uw beroep en u hebt gelijk. Bovendien is 't te Charlestown alles behalve aangenaam en een reede waar het drie dagen van de vier bommen regent, is geen veilige plaats voor een schip. Zeg me nog één ding. Hoeveel en wat voor soort van noordelijke schepen kruisen er voor Charlestown?"

James Playfair beantwoordde de vragen van generaal Beauregard zoo goed mogelijk, waarna hij zijn afscheid nam en in sombere stemming naar den Dolfijn terugkeerde.

»Wat zal 'k aan Jenny zeggen," dacht hij, »moet ik haar met den vreeselijken toestand waarin haar vader verkeert bekend maken? Of zou 'k haar de gevaren die hem dreigen verzwijgen? Het arme kind!"

Hij was nog geen vijftig passen van het huis des generaals verwijderd, toen hij tegen Crockston aanliep. De wakkere Amerikaan had hem opgewacht.

»Nu, kapitein?"

James Playfair keek Crockston strak aan en deze begreep dat hij hem niets goeds te zeggen had.

»Hebt u Beauregard gezien, kapitein?"

»Ja."

»En hebt u hem over den heer Halliburtt gesproken?"

»Neen, hij heeft me over hem gesproken .... 'k kan wel alles zeggen, Crockston."

»Alles, kapitein."

»Nu dan, Beauregard heeft me gezegd dat de heer Halliburtt over acht dagen wordt doodgeschoten."

Ieder ander dan Crockston zou bij die tijding in woede uitgebarsten zijn, of zich aan eene hopelooze smart overgegeven hebben; maar de Amerikaan achtte niets onmogelijk; er kwam iets als een glimlach op zijne lippen en hij zeide niets dan:

»Wel ja! Over zes dagen is hij aan boord van den Dolfijn en de Dolfijn is over zeven dagen in volle zee."

»Ja, 'k begrijp je, Crockston; je bent een flinke kerel en in spijt van mijn oom Vincent en de geheele lading zou 'k mijn schip in de lucht laten springen voor juffrouw Jenny."

»Er moet niemand in de lucht springen; daar winnen alleen de visschen bij. Maar we moeten mijnheer Halliburtt helpen."

»Dat zal moeilijk genoeg gaan; we moeten in verstandhouding komen met een gevangene die sterk bewaakt wordt en hem aan een bijna wonderbaarlijke vlucht helpen."

»O," riep Crockston. »Een gevangene is er altijd meer op uit te vluchten dan zijn bewaker om hem achter slot te houden; ergo een gevangene kan altijd ontvluchten; hij heeft alle kansen voor. Met onze hulp moet de heer Halliburtt dus vrij komen."

»Je hebt gelijk, Crockston; maar wat zullen we doen! We moeten plan maken en voorzorgen nemen."

»'k Zal er eens over nadenken."

»Maar als juffrouw Jenny hoort dat haar vader ter dood veroordeeld is en dat het bevel van zijn terechtstelling ieder oogenblik komen kan..."

»Ze moet het niet hooren."

»Ja, 't zal beter zijn dat we er haar niets van zeggen."

»Waar zit de heer Halliburtt opgesloten?" vroeg Crockston.

»In de citadel," antwoordde Playfair.

»Perfekt; nu naar boord!"

DE VLUCHT.

Op de kampanje van den Dolfijn gezeten, wachtte Jenny met angstig ongeduld de terugkomst van den kapitein af. Toen hij eindelijk kwam, kon zij geen woord uitbrengen; maar hare oogen vroegen James Playfair meer dan hare lippen hadden kunnen uitspreken.

Playfair, door Crockston geholpen, vertelde haar niets anders dan de omstandigheden waaronder de heer Halliburtt gevangen genomen was. Hij zeide dat hij generaal Beauregard voorzichtig over zijne krijgsgevangenen uitgehoord had, maar dat hij gemerkt had dat de generaal hem niet gunstig gezind was en daarom eerst de omstandigheden eens wilde afwachten.

»De heer Halliburtt is niet vrij op zijn woord van eer, en daarom zal zijn vlucht niet zonder moeite gaan; maar we zullen die bewerken en 'k zweer u, juffrouw Jenny, dat de Dolfijn de reede van Charlestown niet zal verlaten zonder uw vader aan boord te hebben."

»Dank, dank, kapitein, uit den grond van mijn hart!"

Op die woorden voelde James zijn hart in zijne borst opspringen. Hij naderde het jonge meisje, met vochtig oog en haperende stem; wellicht zou de bekentenis van hetgeen hij niet meer verbergen kon over zijne lippen gekomen zijn, indien Crockston niet tusschen beiden was gekomen.

»Heb je een plan, Crockston?" vroeg Jenny, toen hij zich bij hen voegde.

»'k Heb altijd een plan," antwoordde de Amerikaan, »dat is eene specialiteit van me."

»Een goed plan?" vroeg James.

»Uitmuntend; al de ministers van Washington samen zouden er geen beter kunnen bedenken; het is zoo goed of mijnheer al hier aan boord is."

»Zeg op dan, Crockston; we luisteren."

»U, kapitein, gaat naar generaal Beauregard en vraagt hem een gunst die hij u niet weigeren zal. U zult hem zeggen dat u een slecht sujet aan boord hebt, een schelm die u hindert, die de equipage onder weg tot opstand heeft opgestookt, enfin een kerel die niets deugt; u moet hem vragen of u dien kerel in de citadel moogt doen opsluiten onder voorwaarde dat u hem bij uw vertrek weer meeneemt om hem in Engeland aan de justitie over te leveren."

»Dat zal Beauregard me gaarne toestaan," zei James, half glimlachende, »maar, er ontbreekt iets bij de uitvoering van dat plan."

»Wat dan?"

»Het slechte sujet, de schelm."

»Hij staat voor u, met uw verlof," kapitein.

»O, die brave trouwe Crockston!" riep Jenny, de ruwe hand van den Amerikaan in hare fijne handjes drukkende.

»'k Begrijp je, Crockston," sprak James; »een ding spijt me maar, en dat is dat 'k niet in uw plaats kan gaan."

»Ieder zijn rol," antwoordde Crockston; »u zoudt de uwe niet volhouden als u in mijn plaats waart. Later krijgt u genoeg te doen met de reede uit te komen onder het kanon van Noordelijken en Zuidelijken; en daarmee zou ik weer verlegen zitten."

»Nu Crockston, en dan?"

»Nu, als 'k eens in de citadel ben--'k ben er in bekend--zal 'k wel weten wat me te doen staat. U gaat intusschen met laden voort."

»O, dat is bijzaak," zei de kapitein.

»In 't geheel niet. Wat zou oom Vincent wel zeggen? We zullen de zaken van het hart en die van den handel hand aan hand laten gaan. Dat zal alle achterdocht voorkomen, Maar we moeten ons haasten. Kunt u in zes dagen klaar zijn?"

»Ja."

»Nu dan, laat de Dolfijn dan op den 22sten reisvaardig zijn. Op den avond van dien 22sten let wel op, moet u een sloep, met uwe beste matrozen bemand, naar White Point, aan het uiterste punt van de stad zenden; laat daar tot negen uur wachten en u zult den heer Halliburtt met uw onderdanigen dienaar zien verschijnen."

»Maar hoe zal je 't aanleggen om den heer Halliburtt te redden en zelf te ontsnappen?"

»Dat is mijn zaak."

»Goede Crockston," zei Jenny nu; »je gaat dus je leven in gevaar brengen om mijn vader te redden?"

»Maak u niet ongerust, juffrouw Jenny: 'k breng niets in gevaar, geloof me."

»En wanneer moet ik je laten opsluiten?" vroeg James.

»Van daag nog. U begrijpt, ik démoraliseer uw equipage; er is geen tijd te verliezen."

»Wil je goudgeld hebben! Dat kan je in de citadel te pas komen."

»Goud, om een cipier om te koopen? Volstrekt niet; dat is veel te duur en ook te dom. Als het daaraan toe komt, houdt de cipier het geld en den gevangene er bij. Maar een dollar of wat kan geen kwaad. Men moet kunnen drinken des noods."

»En den cipier een roes laten drinken?"

»Neen; dat zou alles bederven: laat me maar begaan; 'k heb een plannetje."

»Ziedaar, mijn brave Crockston; tien dollars."

»Dat is te veel; maar ik zal u teruggeven wat ik overhoud."

»Ben je dus klaar?"

»Klaar om een volmaakte schelm te zijn."

»Op weg dan."

»Crockston," zei Jenny, »je bent de beste mensch die er leeft."

»Dat zou me niets verwonderen," antwoordde de Amerikaan met een koddigen lach; »maar à propos, kapitein, nog ééne recommandatie van belang."

»En die is?"

»Als de generaal u voorstelde den schelm op te hangen--u weet die militairen maken er korte metten mee--zult u hem verzoeken of u daarover nog eens moogt denken."

Dien zelfden dag werd Crockston, tot groote verbazing der equipage, die niet in het geheim was, zwaar geboeid tusschen tien matrozen aan wal gebracht, en een half uur later was hij, op verzoek van kapitein James Playfair, ondanks al den weerstand dien hij bood, in de citadel van Charlestown opgesloten.

Dien dag en de daarop volgende dagen werd er ijverig met het laden van den Dolfijn voortgegaan. De bevolking van Charlestown hielp dienstvaardig mede; de bemanning van den Dolfijn was bij de Zuidelijken zeer gezien, maar Playfair gaf zijn volk geen tijd om de beleefdheden der Amerikanen aan te nemen; hij zat hen altijd op de hielen en zette hen met een koortsachtigen ijver tot spoed aan, waarvan de matrozen de reden niet vermoedden.

Drie dagen later begonnen zich de eerste balen katoen in het ruim van het schip op te stapelen. Hoewel James er zich thans weinig om bekommerde, deed het huis Playfair en Co. prachtige zaken, wijl het voor een spotprijs al dat katoen machtig werd dat in de magazijnen van Charlestown tot last was.

Van Crockston hadden zij inmiddels niets vernomen. Jenny was aan de hevigste onrust ten prooi, en James sprak haar telkens bemoedigend toe.

»'k Heb alle vertrouwen op Crockston," zeide hij, »en u juffrouw Jenny, die hem nog beter kent dan ik, moet nog veel geruster zijn. Over drie dagen zal uw vader u hier aan zijn hart drukken, geloof me."

»O, mijnheer Playfair! hoe zal ik u ooit uwe opofferingen vergelden!"

»Dat zal ik u zeggen als we in Engelsch water zijn," antwoordde James.

Jenny keek hem aan, sloeg toen de oogen neder en ging naar hare hut.

Playfair had gehoopt dat Jenny niets van den vreeselijken toestand zou vernemen waarin haar vader zich bevond; doch juist op den laatsten dag vernam zij alles door de onvoorzichtigheid van een der matrozen. Den vorigen dag was er een bode van het kabinet te Richmond in de belegerde stad gekomen en had de bekrachtiging van het doodvonnis van Jonathan Halliburtt medegebracht. Den volgenden dag zou de ongelukkige doodgeschoten worden. De tijding dier aanstaande executie verspreidde zich weldra door de stad en een der matrozen bracht haar op den Dolfijn over. Zonder te vermoeden dat Jenny in de nabijheid was, vertelde hij aan den kapitein wat hij gehoord had en met een vreeselijken gil viel Jenny op het dek neder. James droeg haar in zijne hut en deed al wat hij kon om haar in het leven terug te roepen. Toen zij eindelijk de oogen weder opende, zag zij den jongen man met den vinger op den mond voor zich staan, om haar de diepste stilte aan te bevelen. Zij had de kracht om te gehoorzamen en James fluisterde haar toe:

»Jenny, over twee uren zal uw vader veilig hier aan boord zijn, of ik ben bezweken bij de poging om hem te redden."

Daarop de hut verlatende, zeide hij:

»Wij moeten hem nu uit het fort oplichten, 't mag kosten wat het wil."

Het uur van handelen was gekomen; de lading was binnen. Over twee uren kon de Dolfijn vertrekken. De kapitein had zijn schip op de open reede gebracht, hij zou van den vloed gebruik maken die om negen uur 's avonds inviel.

Toen James het jonge meisje verliet, sloeg het zeven uur en hij maakte zich gereed om van boord te gaan. Tot nog toe was het geheim zorgvuldig tusschen hem, Crockston en Jenny bewaard gebleven. Maar nu achtte hij het noodig den stuurman in te lichten.

»Ik ben tot uw orders," was alles wat deze zeide toen hij het geheim wist. »Om negen uur?"

»Ja, laat de vuren aanleggen en aanstonds ferm aanstoken."

»Het is dadelijk klaar, kapitein."

Nadat de laatste toebereidselen gemaakt waren, voegde James er bij: »En nu, stuurman, laat aanstonds de giek neder; beman haar met zes van onze flinkste roeiers; ik ga onmiddellijk naar White Point. 'k Beveel juffrouw Halliburtt aan uwe zorg aan; God bescherme ons."

Na nog een laatst vaarwel aan Jenny, ging James in de giek en zag onmiddellijk daarop de dikke rookwolken zich in den avondnevel verliezen.

Het was stik donker en er was volstrekt geen wind. Hier en daar trilde er een flauw lichtje in den mist. James had zich aan het roer geplaatst en stuurde met vaste hand naar White Point. Het was een tocht van bijna een uur; James had dien dag nauwkeurig zijne waarnemingen gedaan, zoodat hij recht op de Punt van Charlestown kon afgaan.

Het sloeg acht uur toen de giek tegen de schoeiing van White Point aanstiet.

James moest nog een uur wachten eer het oogenblik, door Crockston aangegeven, daar zou zijn. De kade was geheel verlaten. Slechts een schildwacht liep op twintig passen afstands heen en weder. James Playfair telde als het ware de minuten; de tijd ging vreeselijk langzaam voor hem voorbij.

Om half negen hoorde hij voetstappen; hij liet zijne mannen, gereed om de handen aan het werk te slaan, in de giek achter en ging zelf aan wal. Maar toen hij twee passen gedaan had, ontmoette hij eene patrouille van twintig man. James trok zijn revolver, gereed om dien des noods te gebruiken. Maar hoe kon hij de soldaten beletten tot aan den rand der kade door te loopen?

De aanvoerder der patrouille, de giek ziende, vroeg aan James:

»Wat is dat voor een vaartuig?"

»De giek van den Dolfijn," antwoordde de kapitein.

»En gij zijt?"

»Kapitein Playfair zelf."

»'k Dacht, dat gij reeds in het kanaal waart."

»'k Zou ook reeds vertrokken zijn, maar..."

»Maar?" vroeg de aanvoerder, aanhoudende..

».... Een van mijne matrozen is in de citadel opgesloten en dien had 'k bijna vergeten; gelukkig heb 'k op het laatste oogenblik nog aan hem gedacht en nu heb 'k om hem gezonden."

»O, die schelm dien ge mede naar Engeland wilt nemen? We zouden hem hier anders ook wel opgehangen hebben," zeide de luitenant schertsend.

»Dat begrijp ik," antwoordde Playfair, »maar 't is beter dat alles naar den regel gebeurt."

»Nu, goede reis, kapitein; vertrouw de batterijen van het eiland Morris niet te veel."

»Wees gerust, 'k ben er zonder hinder doorgekomen en hoop 't nu weder te doen!"

Daarop vervolgde de patrouille haren weg en de kade was weder even stil als te voren.

Op dat oogenblik sloeg het negen uur. James voelde zijn hart kloppen alsof het barsten zou. Daar klonk een gefluit; James beantwoordde het sein; daarop luisterde hij scherp toe en beval zijnen matrozen de diepste stilte aan. Daar zag hij een man in een wijden mantel gewikkeld; James liep op hem toe.

»De heer Halliburtt?"

»Die ben ik," antwoordde de man.

»Goddank!" riep James, »Oogenblikkelijk in de giek! Waar is Crockston?"

»Crockston!" antwoordde de heer Halliburtt verbaasd. »Wat bedoelt gij?"

»De man die u bevrijd heeft, die u hier heen heeft geleid, is uw bediende Crockston."

»Neen, dat is de cipier," betuigde de heer Halliburtt.

»De cipier!" herhaalde James; hij begreep er niets van, en duizend angsten beknelden hem de borst.

»Wel ja, de cipier!" riep eene bekende stem: »de cipier ligt in mijn hok te ronken."

»Crockston, ben jij 't, ben jij daar!" riep de heer Halliburtt.

»Mijnheer, geen nuttelooze woorden nu; we zullen u alles ophelderen; maar uw leven hangt aan een zijden draadje. In de giek, in de giek!"

De drie mannen namen in de giek plaats.

»Vooruit!" beval de kapitein.

Zes paar riemen stelden zich te gelijk in beweging en de giek schoot als een visch over het donkere water van de haven van Charlestown.

TUSSCHEN TWEE VUREN.

De giek vloog vooruit, de mist werd dikker en het kostte James moeite de richting waar te nemen, die hij wist dat men volgen moest. Crockston zat voor in de giek, de kapitein en de heer Halliburtt waren achter in.

Toen de giek de open reede had bereikt, begon Crockston te spreken, begrijpende dat de heer Halliburtt van ongeduld brandde om iets van hem te hooren.

»Neen, mijnheer," zeide hij, »de cipier zit in mijne plaats in mijn hok, waar ik hem twee vuistslagen heb toegediend, een op zijn nek en een op zijn maag, bij wijze van slaapdrank; en dat wel op het oogenblik toen hij mij mijn avondeten bracht. Dat heet nu dankbaarheid! 'k Heb zijn kleeren aangetrokken en zijn sleutels genomen; 'k ben u gaan halen en heb u voor den neus van de soldaten uit de citadel weggehaald."

»Maar mijne dochter?" vroeg de heer Halliburtt.

»Aan boord van het schip dat ons naar Engeland zal brengen."

»Mijne dochter dáár!" riep de Amerikaan, van zijne bank opspringende.

»Stil," antwoordde Crockston. »Nog eenige minuten en we zijn gered."

De giek vloog nog altijd in de dikke duisternis voort. James kon de lantaarns van den Dolfijn niet onderscheiden en de roeiers konden het einde hunner riemen zelfs niet zien.

»Wij moeten meer dan drie kwartier geroeid hebben," sprak de kapitein; »zie je niets, Crockston?"

»Niets, en 'k heb toch goede oogen. Maar, we zullen er wel komen; daar ginds vermoeden ze niets..."

Hij had nog niet uitgesproken toen een vuurpijl door de duisternis heendrong en zich hoog in de lucht verhief.

»Dat is een sein!" riep de kapitein.

»Duivelsch! Dat moet uit de citadel komen."

Daar vloog een tweede vuurpijl, toen een derde, en bijna onmiddellijk daarop werd het sein op een kwartier afstands voor de giek uit beantwoord.

»Dat komt uit het fort Sumter," riep Crockston, »en 't is het signaal van ontvluchting. Roei wat je kunt! Alles is ontdekt!"